Twintig min acht

Een enkele keer komt ’t me voor dat iets tijd nodig heeft om verhaal te worden. Een soort van sudderen tussendoor de verschillende hersendelen, waarbij de gebeurtenis of de gedachte synapsen moet passeren & traag druppelend uiteindelijk in een niet vermoed deel ervan moet geraken om daar tot een zekere wasdom te komen.
Iets dergelijks dan toch.

Zoals toen ik op weg was naar ’t Geuzenbos, met vaag in m’n achterhoofd dat ’t wel eens niets zou worden. Al dagen thuis gebivakkeerd, in 1e instantie enkele dagen bij regen, waarna dit gedrag routine werd & de zon me slechts voor boodschappen naar buiten kon lokken.
Dat vergde nog veel voorbereiding: aanbiedingen doorstruinen, routes uitstippelen (Appie => Jumbo => Lidl) om hun allemaal dankzij m’n koopjesjacht & grote opslagmogelijkheid in de vriezer veel verlies te laten lijden. Terwijl ik eigenlijk vooral de wens had om opnieuw in ’t midden van groen te staan. Met buzz & zoem, plus antennes die feromonen aftasten naar een taal die mij weer kon doen afvragen hoeveel onbegrip ik nog te gaan had voor ik eindelijk iets wist.
Ik had net Edward Wilson gelezen. Vertellend hoe hij een manier had gevonden om de te achterhalen welke taal mieren spraken & hoe groot hun woordenschat was. Wat voor mij zoveel betekende als dat ik natuur inhuizig had gemaakt & bij gebrek aan zelfstandig ontdekkingen doen ’t daar graag bij wilde laten, me daarom in tegenstelling daarmee te willen laten leiden door woorden die daarover geschreven stonden. Of ze anders zelf moest noteren.
Maar ik kon moeilijk nogmaals schrijven over bijv ’t beleggen van m’n brood.

Geuzenbos dus. Een plek waarvan ik me niet bewust was voor afgelopen winterseizoen, dat toen in ’t teken van korstmossen. Weer eens als een verbazing van hoe-, wat- & waartoe-vragen die zich niet in woorden lieten vangen. Een soort van gonzen in m’n hoofd als een lichte koorts die vast op een nooit bewust meegemaakte delirium moest lijken. Bevangen, hyperfocus, maar tegelijkertijd ook niet de échte antwoorden willen vinden.
Korstmoskoorts.
Maar die manie werd gesmoord door menige teleurstelling dat ik niet had gevonden wat ik aan Waarneming.nl had doorgegeven. Juist de zeldzame of de zeer zeldzame exemplaren hadden vernietigend effect op m’n enthousiasme dankzij de correcties van de ware experts.

’t Was weer eens tijd daar terug te keren. Voorbij de kou, voorbij ’t korstmosseizoen, bovendien uit angst door mezelf veroordeeld te worden tot eeuwige opsluiting, buiten mijn noodzakelijke uitstapjes naar de supers.

Daar sprongen schapen over de afrastering, zoals je je alleen voor kan stellen in afwachting van zich uitgestellende dromen. De 2 eigenaars, van redelijke leeftijd & niet heel gemakkelijk ter been, hadden speciale stokken in de hand om aan de schapenhielen te haken om die springerigheid drastisch in te tomen. Een hond assisteerde hen daarbij, plus nog 2 aanmoedigend vanachter de gesloten ramen van de geparkeerde auto.
Of ik naast de reeds ingeschakelde vrouw kon helpen met mijn aanwezigheid, vroeg ik.
Graag.
Dus ging ik staan waar de schapen mogelijk heen wilden gaan. & De eigenaars met hond probeerden ze richting de juiste plek te manoeuvreren. Zoals later bleek om ze op hun rug te draaien, weg te slepen & uiteindelijk gehoorzaam met ze mee te laten lopen naar ’t terrein waar ze wel mochten verblijven. Een valse, opgewonden hond had ze daar verdreven, de toegesnelde politie met extra personeelsinzet had ze vervolgens achter de afrastering bij de schotse hooglanders opgesloten.

Dit is geen verhaal, ziet u. ’t Is slechts een registratie van wat er gebeurde; verre van een ‘gebeurtenis’. Een noodzaak anderen te helpen, maar bovenal me te laten herbeleven hoe ik ooit door een kudde van minstens 100 schaap groot achterna gezeten ben. Ze hadden de indruk eten van mij te zullen krijgen, ’t was blijkbaar de tijd van de dag, waar ik ’t idee kreeg dat als dat uitbleef er kleine stukjes van m’n hielen, kuiten, nog hangende hand met begeleidende vingerkoten achter zouden blijven in ’t weiland als ik niet binnen 1 seconde al die lichaamonderdelen ’t hek over kreeg.

Dat zou moeilijk typen zijn geweest in Zijperspace.

Twintig min negen

Eigenlijk kloppen de titels natuurlijk niet. Er zit hooguit een middernachtelijke logica in. Van toen ik bedacht dat ik toch aandacht aan de verjaardag moest besteden. Net wakker geworden uit de eerder genoemde dut. Boek ergens op m’n schoot.

Ik kan ’t evengoed wel een beetje verklaren. In een poging zo kort mogelijk: twintig staat voor de leeftijd van Zijperspace de komende nacht & dat aftellen van 12 naar 1 staat voor ’t aantal posts die ik wil plaatsen vooraleer ’t officiële moment zo rond een uur of 1.30 aanbreekt.
Nee, geen vol uur. Net zoals mijn eigen verjaring op stipt 10 over half 9 ’s ochtends plaats heeft. Mijn moeder vertelde me dat: de zuster had ’t ter plekke genoteerd.
Hoewel ik niet weet of ze daadwerkelijk naar een klok kon kijken op dat moment. M’n moeder zal wel wat aandacht nodig gehad hebben. & Er was ook nog een baby aanwezig dat aan ’t janken gezet moest worden om ’t echte leven in ’t lichaam te laten ontwaken.
Zoiets.

Zijperspace is geboren vlak voor de wereld een opdonder kreeg. Die van de mensen dan, de dieren hebben er niet al te veel van opgemerkt, ’t gros daarvan.
Een paar vliegtuigen die zich in gebouwen boorden. Opschudding & een heleboel honger naar beelden om de zucht naar beantwoorde vragen te sussen.
Weblogs werden plots tot hét medium gebombardeerd. Snel, persoonlijk, in ’t midden van ’t web. & Daar maakte ik reeds 2 dagen deel van uit.
Ik dacht al veel meegemaakt te hebben, die 1e 2 dagen, maar plots leek dat speeltje iets heel serieus geworden. Flauwe grappen of olijke teksten waren even niet mogelijk.
Aanpassen was gemakkelijk; ik wist toch nog niet welke kant ik op zou gaan. Ja, schrijven. Vanaf ’t beëindigen van de Kinderbijbel op 7-jarige leeftijd was dat m’n doel.
Wat ik echter moest doen met beelden van mensen die door trappenhuizen van die hoge gebouwen afdaalden, waarbij ’t maar de vraag was of ze ’t uiteindelijk levend gehaald hadden, daar kon ik hooguit verwondering uit laten klinken.
Ik kon me evengoed niet voorstellen dat men naar iemand wilde luisteren die slechts dergelijke vraagtekens af kon vuren, waar andere bloggers strooiden met de daadwerkelijke filmpjes die ze bij elkaar sleepten van overal & nergens.

Wat me ’t meeste bij bleef waren uiteindelijk de beelden van een groepje mensen dat richting een lift schoof, waarbij 1 man een shirt aan had dat naam & logo toonde van de bierwinkel waar ik werkte.
Ik dolenthousiast dat iemand in de Twins bij mij in de winkel was geweest, Amsterdam meets ’t middelpunt van al ’t nieuws in de vorm van een bierwinkelshirt.
Pas later besefte ik dat men vooral niet de lift had moeten nemen tijdens die gebeurtenis.

Zijperspace ging daarna nog een tijdje door, maar de rest is geschiedenis.

Twintig min tien

Opgestaan.
Geen centje pijn.
’t Kan een nadeel zijn met een boek op de bank in slaap te vallen, zoals me vaak gebeurd, maar ’t zorgt bij mij wel vaak voor een middernachtelijke helderheid (nee, ik ga ’t niet vergelijken met een flonkerende sterrenhemel aan mijn hersenfirmament). Dat resulteert dan plots tot enkele uren activiteit, die me, in tegenstelling tot die dut, ’t verkleinwoord hoewel een enkele keer juist wél van toepassing, kan ik hierbij beter achterwege houden, geconcentreerd achter beeldscherm laat keutelen. Of achter ‘tzelfde boek dat me eerder in slaap gesukkeld had (maar daar ga ik verder niet op in; dat heeft eerder iets van een wederkerige relatie tussen boek & mij waarbij de kip/ei-kwestie sterk van zich doet spreken, maar geen 1-duidig antwoord zal oplever, hooguit een zweem zal krijgen van oeverloos gezwets).

Ik had ook zojuist meteen m’n dagelijkse plunje aan kunnen trekken & voor de super kunnen kiezen. Ik hanteer de laatste tijd nl de theorie dat je ’t beste bij opening op koopjesjacht kunt gaan. De uiteindelijke bewaarheid is enigszins afhankelijk van voor welke super je die bewuste ochtend hebt gekozen, want ’t personeelsbeleid mbt vakkenvullers & kortingstickerplakkers wil nog wel eens schelen van automatisch openende schuifdeur tot zo’n zelfde schuifdeur met een ander logo.
Appie bijv begint meestal pas rond 10-en met ’t uitleggen van de dagelijkse korting over de artikelen. Bij Jumbo zijn ze er de dag ervoor, vlak voor sluiting vermoed ik, al mee begonnen.
Die laatste is stiekem mijn favoriet, maar Appie kan op een gelukkig moment bezocht worden waarbij de gehele vriezer & de komende dagplanning maagdelijk gevuld kan worden met 35 %-bestickerde onderdelen van de verschillende maaltijden.
Dergelijke bezoekjes moet ik dus plannen, liefste de dag ervoor al. Want een teleurstelling bij de 1, kan een zegetocht bij de andere betekenen, met zelfs de reservetas beladen vol.

Nou probeer ik me vandaag wel een beetje te laten leiden door wat ik gedurende deze dag zoal aan wetenswaardigs kan vertellen mbt ’t bestaan van Zijperspace, welke functie dit gegeven uitoefent op mijn dagelijkse doen & dan specifieker op de 24 uur voorafgaande op ’t middernachtelijke moment dat de oudst geschreven woorden alhier hun 20e jaar ingaan.
Hoewel ik daarbij eerlijkheidshalve moet bekennen dat nou juist die woorden niet meer onder ons zijn. Ze zullen vast nog ergens in de digi-sfeer rondwaren, maar feit is dat ze de reis van Zijperspace.blogspot.com naar Zijperspace.nl niet hebben volbracht. Volgens mijn niet al te technisch denkraam in deze moet ’t zo zijn gekomen dat enkele posts zich niet op de juiste manier wilden laten converteren. Niet uit onwil, maar eerder onmacht.

Een treurige gedachte wellicht bij afsluiting van dit 3e stuk tekst ter voorbereiding op ’t historische moment, maar ik heb er 19 jaar plus 10½e maand over kunnen doen om ’t te verwerken. & Aangezien ik toen nog niet precies wist hoe ik me op een leesbare manier moest verwoorden, met enige samenhang voor de noodzakelijke herkenbaarheid, tegelijk beantwoordend aan een bepaald beeld dat ik van mezelf wilde schapen, kan ik er inmiddels niet echt rouwig over zijn dat deze woorden de toenmalige verhuizing naar dit adres (script zo men wil, als men Twintig min twaalf heeft gelezen) niet hebben overleefd.

De ochtendpillen zijn onderwijl geslikt, de broden dienen ontdooid in Zijperspace; wordt vervolgd bedoel ik maar…

Twintig min elf

Daar heb ik zojuist besloten om toch nog maar even door te gaan. Een volgend bier, desnoods een film, maar liever nog een vervolg op m’n relaas van de dag ‘ervoor’.
’t Zorgt er gelijk voor dat de powerbank die ’t licht verzorgde voor de buitenvoorstelling van vlinders, in staat wordt gesteld zichzelf op te laden voor een volgend optreden morgenavond.
Wat me gelijk doet beseffen dat 12 teksten vol krassen met out-of-the-blue-toetsenschrijfsels omdat ik zonodig hecht aan cijfers & hun wederkerende zogenaamde betekenis, misschien wel een beetje overdreven & wellicht moeilijk haalbaar is.
Goed dat m’n keel aankondigde dat de geleste dorst nog meer dorst deed oproepen. Dat hoeft men mij maar 1 keer te zeggen.

Hoewel ik wel enigszins last had daarnet van de maaltijd die ik mezelf vanavond had bereid, buik- & inwendigborrelwijs.
Ik had ’t vlinderlicht al vroeg aangezet, zodat ik ’t zogenaamde roerbakken (die uitdrukking begint bij mij al bij ’t met een pollepel omslaan van ’t reeds gebakkene maar nog niet totaal gare) plezierig kon combineren met af & toe gluren of er al iets op ’t doek gebeurde. Doorgaans betekent een dergelijke optie voor afwisseling tussen keuken & andere activiteiten dat ik een constante neiging tot controle krijg. Controle om te zien of ’t al smaakt. Of controle of ’t inmiddels net zo lekker is als de voorlaatste check.
De duimreflex die me in mijn jeugd is bijgebracht, puur menselijk instinct is me later wijs gemaakt, heb ik al decennia-lang vervangen voor de pollepel of de latere spatel. Speciaal waar deze nodig was voor ’t rond, plat & lichtelijk gebruind verschijnen van een pannenkoek op ’t bord. ’t Maakte daarbij niet uit of de meelsoep, zoals ’t mengsel er in mijn ogen uitzag, reeds in gestolde toestand in de steelpan lag of zich nog in de ongebakken voorfase in de beslagkom bevond: alles wat maar eetbaar kon zijn diende in mijn mond terecht te komen.
Op vroege leeftijd heb ik ergens gelezen dat de egyptenaren de duimreflex zagen als een teken van (voortschrijdende) wijsheid. Een innerlijk proces van reflectie & ’t internaliseren van spontaan voorbij komende vragen.
Maar waarschijnlijk gebruikten zij andere woorden daarvoor. Ik beschouwde ’t als een goed excuus om snel m’n mond open te doen als zich, naast pannenkoeken, frieten van patat zich dicht in de buurt van m’n mond bevonden.
Om dit beeld compleet te maken dient men zich daar een grote hoeveelheid saus in een prettige samenstelling van mayo, ketchup & sambal bij voorstellen.

En dit geschreven hebbende, bedenk ik dat niets zo vreugdevol morgen kan zijn dan mij morgen te trakteren op een rit over 1 van de bruggen van Amsterdam, een brug die strandt tussen Oost & Noord, om daar een dergelijk iets, zonder de ketchup tegenwoordig, in m’n mond te proppen, 2 of 3 frietstukjes tegelijk. Zoals sinds mijn pannenkoekenjeugd gebruikelijk.

Ik ben alleen bang dat ik daar niet aan toekom, want ook morgen wachten vlinders op mij. Plus nog 10 stukken tekst, zoals eerder beloofd.

Spijt nadert met rasse schreden in Zijperspace.

Twintig min twaalf

Ik heb ’t leeslicht zojuist uitgezet, terwijl ’t buitenlicht nog wel even blijft schijnen. Die laatste moet z’n werk blijven doen tot ik besluit naar bed te gaan. M’n uv-bril ligt in de keuken klaar voor een laatste inspectie. Hoewel m’n hoop op een pijlstaart in m’n tuin al lang geleden is vervlogen. Lang geleden, in ’t perspectief van 3 jaar vlinders met ledlampjes lokkend.
’t Blauw dat door de gordijnen glinstert knikt bevestigend.
Ik mag verder.

’t Is 20 jaar geleden straks, 24 uur scheidt tóen nog slechts van ’t moment nú. Plus die 20 jaar dus, voor de mindere verstaander.
Daar reken ik mezelf toe, als ik dit had moeten aanhoren. Ik was onderweg dit relaas waarschijnlijk al ergens tijdens m’n eigen weg van van tevoren ingenomen veronderstellingen linksaf geslagen, terwijl de logica toch echt een doorgaande weg rechtdoor had aangewezen. Alle pijlen stonden die kant op, maar m’n in m’n leven vanzelfsprekende onrust had alvast linksaf afgetast & aangezien ’t daar er helemaal niet verkeerd uitzag, een pad vol mogelijkheden, vooronderstelt dat dit bij rechts & rechtdoor vast niet ’t geval zou zijn. ’t Verhaal klonk zo al mooi genoeg.
Of verontrustend, zo u wilt. Voor hen die niet behept zijn met deze vaag omschreven afwijking. Maar onderhuids alhier constant aanwezig.

Morgen 20 Jaar plus 24 uur geleden deelde ik via een vroeg chatmedium aan m’n vaste middernachtelijke contact mede dat ik een blog zou beginnen. Waar we toen nog, hier in dat kleine clubje in nederland dat zou kunnen begrijpen wat ik bedoelde, ‘we’ voor plaatsten: een weblog.
‘Zou  je dat nou wel doen?’ werd gevraagd.
Ja, dat zou ik wel doen.
Ik wist alleen nog niet zo goed hoe.

Voordat je een film begint, zelfs docu’s hebben hier mee te maken, dien je een script te kunnen overleggen. Zonder dat is er weinig vertrouwen in welslagen.
Aangezien er nog geen script voor blogs was uitgevonden, begon men gewoon. & Dan maar kijken waar ’t strandt.
Of anders: hoe ’t zich perongelukkerwijs voort lijkt te zetten. De formule, script zo men wil, als van een documentaire die de ontwikkelingen volgt & z’n (sub)script daarop aanpast.

Mijn subscript heeft zich behoorlijk aangepast, natuurlijk vooral in die beginfase, & zich ondertussen (misschien wel lang geleden, zou men kunnen zeggen) verankerd in een lofzang van ’t zelf, specifiek: mijzelf.
Waarbij men dat toevoegsel ‘lof’ waarschijnlijk wel kan schrappen.
Hoewel ik daar tegelijkertijd bij hoor te verzuchten: wie ben ik om dat te bepalen?
Maar dat ‘zelf’ best met hoofdletters geschreven zou kunnen worden, daar zijn we ’t vast wel over eens.

Zelf, u bent ondertussen wel bekend met deze uitdrukking, ben ik van mening dat ik vooral gepoogd heb dit weblog ‘literair’ te maken.
Aangezien ik geen ander constant onderwerp wist waar ik ook maar enige literaire waarde uit te voorschijn kon toveren dat zich over een langere periode als zodanig zou kunnen doen gelden, dan mijn, ikzelf, ’t lichaam, m’n afwijkingen, m’n stoelgang & de daar aan voorafgaande eetgewoontes (verschillend van maal tot maal), m’n wanen, m’n verliefdheden & de onvermijdelijke burn-out (om maar enkele terugkerende onderwerpen te noemen), heb ik ‘mezelf’ maar als constante aangehouden. Zodat lezers, óf zoals die in de weblogwereld al snel in de tot wasdom groeiende periode tot bezoekers werden gedevalueerd, wisten wat ze aan mij & m’n Zijperspace zouden hebben.

Ik had me voorgenomen om lang voordat ’t punt van morgen, m’n 20e verjaardag, zou aanbreken, in een lange reeks, een thematische serie posts van weerspiegeling, bezinning, viering & mogelijk zelfs terugzien op ontwikkeling, als een continue vooraankondiging van ’t jubileum (niets zo leuk als de voorpret behalve dan een stevige ejaculatie) aan te kleden.
Maar aangezien ik niet wist wat ik daarna moest doen, m’n script was weer eens niet bijtijds af zeg maar, heb ik door uitstel, constante uit- & bij twijfel afstel, besloten om ’t er op neer te laten komen dat ik de komende 24 uur 12 posts vol ga schrijven.

Ik zie wel wat ’t toetsenbord daar van kan breien.
Ik heb er alle vertrouwen in, want hij & z’n voorgangers hebben me zelden teleurgesteld.

Laat de woordenvloed in Zijperspace dit tot bewijs hiertoe zijn.

Vingerleed

Ik gebruik ze om mezelf bij elkaar te houden. Waarschijnlijk is dat ook de essentie van ze. Niets verlaat je lichaam tenzij de dijkbreuk onherstelbaar is. De pleister is onze ‘finger in the dike’, hoewel vast geen nederlandse uitvinding.
Ik vermoed duits, vanwege de spelling met ‘ei’. Maar die veronderstelling is bij elkaaar gefantaseerd.

De kartelrandjes van een huis-aan-huiskrantje waren in m’n nagelriem terechtgekomen. Binnen een uur, misschien 2 uur, was die riem roodgloeiend. & De flubberlosse velletjes hadden zich vermenigvuldigd. Waar ik m’n tanden in wilde zetten, m’n te korte nagels voor wilde gebruiken, om mogelijk erger te voorkomen.
Hoewel ik dit eerder heb meegemaakt & zodoende weet dat strijd geen zin heeft. Je kan jezelf er beter aan over geven. Pijn lijden, niet meer vinger zuigen, likken of troosten met teder zachte lippen.
& Toen ’t uit de hand liep werd me verteld dat die methode ook de enige uitweg was.

Want bij Appie sneed ’t karton van een 6-pack me akelig in de wijsvinger van de andere hand. Links ditmaal. Niet zo directief als rechts, maar ik blijk ‘m in zo’n geval vaker nodig te hebben dan eerder ervan bewust.
Toevallig moest de zelfhulpkassamedewerker een artikel komen corrigeren.
Ik zei (daar dus directief): ‘Ja, beter dat jij ’t doet. Hij heeft een snee bij mij veroorzaakt.’
Niet zielig, maar wel duidend dat bloed niet handig was in openbare ruimtes, waar corona weliswaar geen aids is, maar toch snel als een bedreiging wordt gezien. Vreemd bloed vooral. Daar wordt een grens gepasseerd van mogelijke lichaamseigenoverdracht.
Dat laatste wordt alleen nog maar toegestaan in geval van voortplanting of in geval van ’t doen alsof & de voorbehoedsmiddelen ’t herstel- of voorwerk zouden moeten doen.
Met regelmatig zuigende mond heb ik toen ingepakt, de in blauw geklede medewerker daarbij niet lastig vallend. Maar aangezien m’n mond steeds minder oorspronkelijk naar speeksel smaakte toch maar haar nog even lastig gevallen bij de servicebalie.
‘Ja, ik dacht zelf al dat je een pleister nodig zou hebben,’ kwam ze me tegemoet.
Ze legde die in bedrijfskleuren gehulde wondbedekking niet bij me om; ’t was duidelijk dat ik daar zelf verantwoordelijk voor was.
Maar goed, ik had niet anders verwacht, wilde ’t evengoed toch maar even constateren.

Een dag later was ook die nagelriem rood & bollend. Net als de middelvinger rechts, met evenzo beginnende loszittende velletjes, o zo verleidelijk wachtend op bijt- & rukgedrag mijnerzijds.

Ik heb op internet gekeken. ’t Bleek een bacterie te zijn. Tuk op verwondingen die zich op de vingers voordoen, waar deze zich toch al in redelijke hoeveelheden bevindt.
Nu mag ik de aangetaste vingers niet meer bevoelen, noch met vingers of lippen (dat voelt zo lekker vertroetelend, waar slechts moeders bovenuit kunnen stijgen). Ze moeten rusten, met rust gelaten worden. Handdoeken na 1 dag vervangen. & Nog wat ander wijs advies.

Ik laat ze eigenwijs gewoon verweken onder een laag pleisters, die wonden & ietwat dik bollende ontstekinkjes. Als je dat laatste tenminste in proportie kan zien. Als ’t gloeit groeit ’t in relatie met de rode kleuring minstens 2 keer zo hard. Een mens wordt daar niet bepaald objectief van, ook al is ’t slechts een milde pijn.
Een afleidende pijn, met een groot gehalte aan sabbelreflex, gelijkend op de duim in de mond van de babyjaren.
Misschien zorgt ’t met de wonde gepaard gaande gedrag ervoor dat ik jonger word, tijdelijk. Vast niet tot enig voordeel strekkend, maar ik weet nu weer wat ik vroeger zoal met m’n vingers deed. Was ik al lang geleden kwijt geraakt.

Alles wat lang gelee geweest is in Zijperspace, komt vanzelf weer terug.

Puntenslijper

Men moet ’t niet raar vinden, een bos van liggende pennen. Stiften gemengd, een zeldzame potlood die me aan m’n vader herinnert.
Ze liggen daar rechts voor m’n schouder, een halve meter.
Ik zal ’t nog steeds eens gaan uitzoeken wat nog schrijft. Een erfenis gedeeltelijk van een happening, verkiezing, m’n vader dus ook, plus werk. ’t Zijn bijna vergeten herinneringen.
’t Verlaat me traag.

Evenmin m’n medicijnen, m’n traag ademende neus, zo laat op de dag, ’t tijdstip dat hun aanwezigheid bevestigt.
Ik ga daar oud mee worden. M’n droge ogen evenzo, waar de druppelflacons voor staan.
& Op de printer de pillen die ik door de dag heen slik, verspreid. Ik had de 15e eeuw niet lang overleefd, denk ik dan soms.

’t Is een decoratie. Een op- & neergaand landschap. Ze vertellen blijkbaar wat m’n leven momenteel is. Hun heuvels, de toppen van doppen die elke dag van hun pennen of potjes geschroefd worden.
2 Laag deinende toetsenborden om ’t de wereld te vertellen.
Of eigenlijk 3, als ik de doorgaans vlakke helling van de laptop open. Waar meestal de muziek uit klinkt. Om me stil te houden. Weg te houden. Stijf doen staan van rugrecht, afhankelijk waar ’t me anders brengt.
’t Valt me mee, rugwijs; An al een tijdje niet hoeven zien. Haar versleten handen van olie & wrijven, masseren & waarschijnlijk de kou doorstaan als ze de schaatsbaan weer aan kan. Ik zie haar thuis zitten, pogend zich te warmen aan ’t vergeten van de kilte.

Ik wrijf die van mij. Dan vooral de bovenkant. Heet dat niet de huig? Of geldt dat slechts voor de mondholte?
De bovenkant, die ongemerkte windvleugen opvangt van hier in huis stilstaande wind. De aanrakingen die voorbij gaan, alsof slechts niets meer dan een gedachte. Terwijl de rest van daadwerkelijk niets schijnt te weten.
Een afwezigheid.
Een potlood die ik in m’n vaders handen terug moet geven. De punt afgebroken.

Maar er was altijd een slijper in Zijperspace.

Ochtendkalm

Er moet rust zijn in m’n morgen. De dagelijkse ochtendroutine, van start zogauw ik ’t bed verlaat, gebiedt me na dat half uur van pillen slikken, thee zetten, brood uit de vriezer, toiletgang plus nog wat onnozelheden, terwijl de dooi heeft ingezet, m’n hoofd te laten beseffen dat-ie daarnet nog horizontaal lag. ’t Bloed is tot leven gekomen & surft z’n bochten doorheen m’n lichaam, m’n spieren hebben m’n dribbelpas & vingergrepen zich laten welgevallen, maar ’t overzicht van wat komen gaat heeft kalmte nodig. Nog enkele momenten van niets.
Anders komen er te veel haaststoffen vrij. Dan is ’t tot de rest van de dag komen gaat slechts marathon lopen van overzicht krijgen van wat nog allemaal gebeuren zal, onder lichte dwang, wanneer de dag iets van gezamenlijk krijgt ipv kluizenaarschap, de ogen in de spiegel hun gelijken bij anderen treffen. Maar dan in buitenlucht, aan de deur voorbijgaand, terwijl de fiets zich achterstevoren naar buiten friemelt (’t wil eens vanzelf zonder muurschrapen de voordeur bereiken), waarbij ik dermate ingespannen die korte route probeer te overzien, ondertussen niet meer beseffend wat ik ook alweer in de openbaarheid van plan was te gaan doen.

Ik heb dus kalmte nodig, want de opwinding komt straks vanzelf, als ik 100-tallen van gedachten denk & ik onbekende passanten interpreteer aan hun kleren, gestalte, de wind-wapperende jurk desnoods, om er niet beter van te worden, maar omdat ’t zich allemaal voordoet & dat ontkennen heeft geen zin.
Is al gebeurd voordat de 1e bocht me bereikt.

Geen rondingen derhalve. Slechts een recht voor mij liggend doel.
Thee, ondertussen kijken wat ’t venster zegt waar de wereld zich momenteel bevindt.
Toilet, boek, thee, ontbijt, thee, toilet, boek.
Een bijna gespiegelde voorbereiding op wat werkelijk komen gaat.

Werkelijkheid vangt aanstonds aan in Zijperspace.