Passanterie

Ergens moet ik een indruk maken, maar ik probeer dat zo neutraal mogelijk te houden. Stel je voor je komt zelf een baardmans tegen die doet alsof-ie de wereld aankan, al ‘t vreemde & verstopte tegemoet treedt alsof niets ‘m kan deren. & Dat in de wildernis om de hoek, dat eigenlijk normaliter alleen dienst doet om de hond uit te laten.

& Dat heet dan Diemerbos. Terwijl ‘bos’ al ietwat te wild aandoet voor wat ‘t herbergt & de mogelijkheid er te verdwalen.
De enige hopeloosheid die ik er voelde was 3 uur ‘s nachts, laat ‘t een half uur eerder zijn geweest, toen ik me richting huis spoedde, zo snel mogelijk, want dan was ik thuis sneller moe.
Hoewel ik weet dat ‘t juist andersom werkt.
De hopeloosheid werd veroorzaakt doordat stadse usb-oplaadbare lampjes op je fiets niet afdoende licht produceren om te zien welke zijpaden er aan komen, ong net zo snel als dat je fietst, & onverwachte takken & sloten, die de stoere baardigheid tot een minimum weten te minimaliseren tot een weliswaar gelukkig snel manoevrerende hyperactieve richting pensioen groeiende vijftiger, maar bij onverwachtheden net zo angstvallig stuurt als dat jochie op pad gestuurd door de vaandrig door ‘t donker van ‘t Robbenoordbos om de rest van de padvinderspatrouille te vinden. & Dat alleen maar omdat die bocht eerder verschijnt dan gepland & de sloot dichter & natter ziet dan de stoerheidsbundels probeerden te pretenderen.

Maar dan komen zij me overdag tegen, als ik voorovergebogen naar niets tuur, naar iets lijk te kijken, m’n blik omhoog wend voor wie daar aankomen, hen tegemoet lach & minzaam bedrieglijk vriendelijk gedag zeg.
Zelfs ‘t keffertje zwijgt abrupt. Of begint juist dan hoog & snel te waffen van blijf van m’n bazen af ik heb je wel door & weet wat je met ze van plan bent. Daarbij parmantig met z’n klein maar nog soepel lichaam zwabbert om te duiden dat hij uiteindelijk lekkerder smaakt, maar in tegenstelling tot z’n 2 bazen al z’n tanden nog heeft.

‘t Is verwarrend om daarbij aanwezig te zijn. De drone tegelijkertijd te besturen die neerkijkt op wat mijn leven werkelijk is in de ogen van anderen. Met hun schrik te registreren om die man die spontaan gedag zegt terwijl we alleen maar rustig wilden passeren.

Je bidt voor een normale reactie, van wat doe je daar, waarom doe je dat, & heb je dan al wat gevangen. & Als je dan reageert dat ze dan zien dat je nog kan praten ook, tussen snor & baard door.
Logisch gevolg van eerder reageren dan ik dus net niet haalde.

Ze willen me dan hebben. Dat ik deel wordt van hun verzameling. De man die in ‘t Diemerbos alle insecten zoekt & kent.
‘Hij gaf me advies voor de planten die ik op m’n balkon moest zetten & vertelde me dat ik niet bang hoef te zijn voor de wantsen in bed.’
‘Toch, John?’
‘John, hoor je me? Dat zei hij toch?’
‘John!?’
‘Ach, hij staat in de keuken natuurlijk met de andere mannen te praten.’
‘Maar hij zag er wel bijzonder uit, hoor. Ja, als je zo in de natuur bezig bent, dan hoef je je ook niet te bekommeren over hoe je overkomt.’
‘Dat denk ik dan. Dat hij zo denkt. Want meestentijds komt-ie natuurlijk niemand tegen.’
‘Ik geloof ook dat-ie schrok toen we kwamen.’
‘Toch, John?’
‘O, je bent met de bitterballen bezig. Lekker joh. Lusten wij ook wel wat van. & Doe nog maar een martini!’
‘Of is dat al op?’
‘Jij nog wat, schat? Hoe is ‘t trouwens met jouw tuin, Guinevere?’

& Ik waan me een vergeten verwilderde koning in Zijperspace.

Zon-lockdown

8 Augustus 2020 zette ik mezelf in een zon-lockdown. Bij die mededeling zou ik ‘t kunnen laten, maar dat zou enkele aspecten ervan vaag & schimmig houden.

Om een simpel voorbeeld te noemen: er is een groot verschil tussen ‘t begrip voor de gebruikte uitdrukking tussen mensen die dit in 2019 zouden lezen & die van 2030. Hoewel zelfs dat laatste niet helemaal juist te voorspellen is momenteel.
Tevens erbij aangetekend dat ‘t nu, indien wetenschappelijk onderbouwd, niet mogelijk zou moeten zijn dat deze tekst in ‘t verleden gelezen zou kunnen worden (waarbij ‘t gebruik van de toekomstige tijd in deze zin voor iets wat in ‘t verleden zou moeten plaatsvinden al enigszins misplaatst opgevat zou kunnen worden, & waarbij, als een ‘ten 2e’, ‘t de vraag is welke geïntendeerde lezer dit standpunt in zou kunnen nemen).

‘t Betekent in ieder geval dat ‘t de wereld moeite zal kosten om hier binnen te komen, behalve via de weg van de huidige mediatoegankelijkheid, waarbij ‘t grotendeels via internet verloopt, als in: redelijk actuele toevoer, & eerder (minder actueel) in de tijd plaatsgevonden uitingen in de vorm van boeken & tijdschriften, die volop aanwezig zijn hier.

De zon echter fluistert zich door een soortement schimmigheid, ik gebruik ‘t begrip voor de 2e keer, van de gordijnen die weliswaar toegetrokken voor de ramen hangen, maar door de dikte, of anders, ‘t gebrek daaraan, enigszins licht lekken.
Ik heb dat deels ondervangen door oa een wit douchegordijn aan de buitenkant te spannen, daaraan soortgelijk wit werk met knijpers aan de onderkant ervan te bevestigen, benevens, om ‘t totale oppervlak van de achterkant van m’n huis te kunnen beslaan, een molton deken aan de zijkant ervan. Dit alles om de zon te belemmeren rechtstreeks met z’n stralen m’n tuindeuren te kunnen raken.
Om zodoende, met genoemde opgetelde maatregelen, toch ietwat dichter bij de perfecte isolatie van de buiten heersende hitte te geraken.

Daarnaast zie ik mij gedwongen, na dit schrijven, me te spoeden richting 2 locaties, om daar ten 1e broodgist te bekomen & ten 2e een gereedliggend medicijn uit de apothekersmuur te trekken (zoals we vroeger een kroket of fricadel bij de snackbar haalden, doen we iets soortgelijks tegenwoordig bij een apotheek), zodat ik ‘t desnoods enkele dagen uit kan zingen.
Laatstgenoemde actie niet omdat dit terstond noodzakelijk is; ik zou gezien mijn voorraad desnoods tot woensdagochtend kunnen wachten, maar gezien ‘t feit dat er in de huidige maatschappij dagelijks een beroep gedaan wordt op solidariteit (& daar dan een massa-versie van), gelijk opgaand ong met een tendens om via sociale media uitingen te ventileren van de onbestaanbaarheid daarvan, ik mij daardoor genoodzaakt voel dit evengoed tot ‘t uiterste uit te voeren. Bovendien, niet onnodig te vermelden, gezien de ontkenning, van zoals ‘t lijkt velen, van wat er aan de hand is hier in 2020, reeds gedurende enkele maanden.
Als tegenwicht doe ik dat. Om ruimte te scheppen voor een volgend medicijn voor een volgende gebruiker. Want tegen de klippen op oprecht proberen te blijven bezorgt ongemerkt een nog grotere voldoening. Een vorm van in ‘t reine blijven met jezelf.

Een ietwat overdreven, zal men wat mij betreft best mogen concluderen, maar toch zeker noodzakelijk mbt de manier waarop ik alles beschouw. ‘tGeen, ik geef ‘t eerlijk toe, niet door velen gedeeld wordt, maar noodzakelijkerwijs onderdeel is van ‘t totale pakket van m’n ik.
Zorgvuldig dus, beredeneerd, efficiënt, waarbij vraagtekens slechts dienen om de mogelijkheid van ‘t stellen & oplossingen om ergens tegen opgewassen te zijn.
2 Verschillende entiteiten, waar ik niet anders kan dan hopen op enig begrip.

Voor de rest is ‘t gewoon reteheet vlak over de grens van Zijperspace.

Boerenwormkruidlikeur

Liefst was ik m’n handen niet meer. Al ziet ‘t onder de nagels redelijk groen & kleuren de toppen van m’n vingers geel.
& Dan met die kleurvingers richting m’n neus & mezelf bedwelmen. Niet dat ik er veel mee opschiet al zou ik dat willen, maar verslavend is de geur wel.
Dat ik me af ga vragen wat ik nou eerder lekker vond: de likeur of de geur van de boerenwormkruid?

We vonden een recept, daar begon ‘t mee.  Ik geloof dat ‘t was toen we in de buurt van Diever een blokhut op een camping huurden. We hadden al ‘t plan om een of andere kruidendrank in dat huisje te gaan maken, zowel de paardenbloemenlikeur als de vlierbloesemjenever waren een groot succes gebleken.
Jammer dat die laatste in de voorfase, in limonade-vorm zeg maar, te veel koolzuur ontwikkelde & zodoende m’n koelkast tot een Beiroet maakte in microvorm, waar elk moment de hele boel in de lucht zou kunnen vliegen. Naar een distilleerderij gefietst met de laatste volle emmer & die omgewisseld voor een liter 96% alcohol & die thuis gemengd met de rest van ‘t restant.
Een nieuwe drank was geboren die in ‘t proeflokaal van die distilleerderij net zo’n groot succes werd als in onze eigen kelen.

Een 2e keer opnieuw proberen kon pas een jaar later, maar heeft nooit tot de gewenste resultaten geleid.

Dus daar bij Diever vond Tineke een recept online, die bij gebrek aan overvloedige hoeveelheden van ‘t juiste ingrediënt de paardenbloemlikeur zou moeten vervangen. We hadden genoeg boerenwormkruid langs de waterkanten in de omgeving gezien. & In ‘t plaatsje was er wodka op voorraad. Vraag was hoe we aan engelwortel moesten komen daar, maar dat zouden we in Amsterdam, stad van ongekende mogelijkheden, op kunnen lossen. Pan met wodka & geplukte boerenwormkruid middels gebruikmaking van een elastiek goed bij ‘t deksel afgesloten.

Elastieken zat, want (zo kort mogelijk uitgelegd) een maand eerder, juist op de dag dat we samen iets te vieren hadden, sprong er iets in ‘t rokje van Tineke & was er alleen een boekhandel op voorraad om ons te voorzien van vervangend elastiek. Deze boekhandelelastieken werden per doos van 300 stuks verkocht, alsof de postbodes dagelijks daar over de vloer kwamen om hun voorraad bij te vullen voordat ze aan hun wijk zouden beginnen.
3 Elastieken met oude padvindertrucs aan elkaar vast geknoopt leverden een niet-afzakkend rokje op  plus een maand later een afsluitmechanisme voor de pan met boerenwormkruidlikeur die nog niet af was.
(plus een la in de keuken die nog steeds uitpuilt van nog niet gebruikte of in herbruik geplande elastieken, nu ‘toen’ inmiddels meer dan 6 jaar geleden is)

In boerenwormkruid zit thujon. Dat zit ook in z’n zusje absint-alsem. & Zogauw je die noemt begint iedereen over absint. ‘t Drankje waar de kunstwereld van Parijs en masse verslaafd aan zou zijn geweest. & Thujon scheen ‘t schadelijke stofje te zijn wat vervolgens verboden moest worden. De salie, wilde marjolein & jeneverbes konden echter geen kwaad berokkenen, moet men gedacht hebben, ook al zit ‘t daar ook in.
Voor de zekerheid hebben we mensen die onze boerenwormkruidlikeur lekker vonden wel verteld dat je er niet te veel van achter elkaar moest drinken.
Ja, vanwege de thujon.
Ja, klinkt als bouillon.
& Dan kon ik leuke verhalen vertellen over mensen die epileptische aanvallen kregen in de tijd dat ‘t nog hartstikke gewoon was om div kruiden uit de Artemisfamilie (abint-alsem, bijvoet, boerenwormkruid, etc…) te gebruiken voor bitterheid van bier.

‘t Valt allemaal wel mee met dat boerenwormkruid. Dat kan ik eenieder verzekeren. ‘t Is net als met de rest van waar ‘te’ voor past & dan met name als ‘t een drogerend effect bewerkstelligd: gewoon met mate gebruiken. & Aangezien zwangere vrouwen ook zeer matig moeten zijn met ‘t gebruik van alcohol hoef ik ze vast niet te waarschuwen voor de ingrediënten venkel, engelwortel &, wederom, boerenwormkruid, die ervoor kunnen zorgen dat de bevalling voortijdig wordt opgewekt.

Zo, genoeg. Tijd voor ‘t drankje dat je doet beseffen straks dat niets zo lekker is om te drinken vlak voor slapen gaan als ‘t drankje dat je zelf grootdeels zelf geplukt hebt & vervolgens heel geduldig 2 tot 4 weken hebt laten staan, behalve dan voor ‘t excuus om te controleren of de smaak niet te ver is doorgeslagen tussentijds.

Echter, wees snel! De boerenwormkruid wacht in z’n gele bloempracht niet lang meer op je. & Pluk niet de hele buurt leeg, want de insecten lusten ze ook & daar zijn er nu nog meer van te voeden dan dat er mensenmonden zijn, bovendien blijft de wereld mooier als er straks nog insecten zijn in plaats van ons.

Mocht je 2 liter wodka willen gaan gebruiken dan heb je volgens ‘t officiële recept 150 gram bloemetjes van de boerenwormkruid nodig. Dat is te weinig om ‘t echt lekker te maken, net zoals de voorgeschreven 900 gram suiker veelsteveel is. De 1 kan je beter verdubbelen, waar je de andere halveert.
Verder:
1 tl gemalen engelwortel
Ietsjes minder karwijzaad
Net zo’n hoeveelheid korianderzaad
‘tZelfde van venkelzaad
2 takken munt, maar dat mag ook best iets meer
halve citroen, schoongeborsteld als niet biologisch
2 tot 4 weken geduld
Plus een zeef aan ‘t eind.

Maar dan is ‘t in Zijperspace al op, dus kom ff langs om ‘t te laten proeven.

Spieren

Gisteravond heb ik een lijst samengesteld. Puur alleen om af te kunnen vinken.
Ze hadden gezegd dat ‘t prettig is om resultaat te zien. Wegstrepen van klusjes, taken of andere obstakels. Een normaal mens zou ze allemaal onder 1 noemer vatten; ik zie er verschil in. Hoewel de hindernis om iets daarvan op te pakken bij alle verschillende noemers even zwaar weegt.

Volgende tip was om ze op te delen in kleine stukjes. M’n buurvrouw had ‘t me al eens verteld, vlak voordat ik de ‘cursus’ in ging.
Bleek ze nog gelijk te hebben ook.
Misschien hadden ze daarmee moeten beginnen. Had ik best bij de evaluatie kunnen voorstellen.
Tegelijkertijd was er al zo veel te vertellen voor ze, & dan hadden we ook nog allemaal ons eigen verhaal dat door ‘t ventiel moest met slechts ruimte voor 1½ uur.

Gisteren dus alles opgehoest & de spetters in m’n zogenaamde notitieboek opgeschreven. Speciaal aangepast dit keer. Ik moest veren in m’n reet krijgen, veren van vinken, de wegvinken in dit geval.
In die mate aangepast dat ik alles in kleine partjes heb gedeeld. Dat ik m’n camera voor reparatie moet versturen werd 1st een telefoontje, vervolgens de aankoopbon plus genoteerde mankementen uitprinten, waarna de toch richting postkantoor zou volgen.
Hoewel bij dat laatste stukje vertraging ontstond. Ik wist niet of een postkantoor nog wel een postkantoor genoemd mocht worden. Paralyse in mijn actiebereidheid heb ik voorkomen door nog even te blijven hangen in deel 2 van dit samengestelde takenpakket.

2 Vinken zijn in ieder geval gezet. Des te roder die kleuren tov de rest van de tekst des te meer voldoening rijst in m’n borst.

Ze hebben me uitgelegd dat wij niet zoals anderen spieren hebben om onze hersenen te instrueren in actie te komen.
Ik realiseerde  me dat opnieuw toen ik voorbij de wasbak liep vanochtend.
‘Dat moet ik nog doen,’ is op zo’n moment de vanzelfsprekende gedachte, net als bij ieder ander, maar tijdens ‘t voorbijgaan denkt er geen enkel onderdeel van m’n lichaam er aan om ‘t dan ook maar meteen te doen.
M’n hoofd, m’n ik, m’n bewustzijn, die allemaal wel. Die weten ‘t dondersgoed. De rest niet.

& Dan mag ik wel zo’n afvinklijst hebben, een agenda ook, notitieboek in wat mindere mate omdat dat me nou weer net een stap te ver is, maar dan moet ik toch ergens motivatie vandaan zien te halen om te gaan kijken wat er nog allemaal op staat. Of wat er nog bij moet.
‘t Voelt echter goed om de kleur rood ervoor gekozen te hebben. Rood zegt nl dat je dat beter niet kan aanraken. Afblijven. Niet proberen daar door te gaan.
Poeh, dan heb ik gelijk geen zin meer om naar dergelijke dingen te kijken. Dan werp ik wel een blik op dat waar geen rode vink achter staat.

& Dan denk ik dat als ik nog 1 stapje doe ik toch weer 1 stapje verder ben. & Gek is dan te beseffen dat de enige spiertjes die ik dan nog nodig heb ‘t de tikspieren in m’n vingers zijn die op de toetsen alle rode V-tjes richting beeldscherm kunnen trommelen.

& Zijperspace is weer net zo’n stukje verder richting ‘t onmogelijke maar mogelijk lijkende einde.

Zesvlekprachtblindwants

Zesvlekprachtblindwants
Zesvlekprachtblindwants – ©Piet de Boer

Niet iedereen hoeft altijd te weten dat er een bepaald zeldzaam beest in de buurt is gearriveerd. Laat het nog maar even met rust, is dan het beleid, zodat het beest niet meteen te maken heeft met nieuwsgierige camera’s van mensen die, om een nog wat beter shot te krijgen, denken dat een paar pasjes in het perk wel kan. Maar als plots heel Amstelveen te horen krijgt dat er zo’n zeldzaamheid rondwaart op een bepaalde plek in het Amsterdamse Bos, dan is de kans groot dat die betere shot noodzaakt dat er een heleboel pasjes moeten worden gemaakt.

Tot drie jaar geleden was men al blij dat de zesvlekprachtblindwants tot vlak over de grens met België was gekomen; in 2013 was het noordelijkste verblijfplaats vlak boven Eindhoven. Daar leek het nog net warm genoeg te zijn voor deze wants.

Het mocht genieten van de aandacht van wantsenkenners die hem met speurwerk in kruidenrijke vegetaties vonden. Vooral in Limburg, omgeving Maastricht, sowieso de omgeving waar je moet zijn wil je nieuwe soorten voor Nederland ontdekken. Want willen dieren zonder erg de grens oversteken dan is dat stukje dat onderaan Nederland uitsteekt een ideaal punt voor dieren uit het zuiden.

Voor een wantsenkenner was het ook wel leuk om de zesvlekprachtblindwants tegen te komen. Veel wantsen zijn groen, wat ze op eerste gezicht al moeilijk te onderscheiden maakt. Probeer eens de juiste naam te bedenken van meer dan 600 verschillende soorten wantsen die Nederland rijk is. Vind je een van de vele groene is, dan is identificatie niet gemakkelijk.

Gelukkig beantwoordt de zesvlekprachtblindwants aan de naam die voor hem gekozen is: het is een prachtige wants met zes gele vlekken, daar kan met al snel over eens zijn. Dat stukje ‘blind’ in de naam danken veel wantsen aan het feit dat ze in tegenstelling tot andere wantsen maar twee ogen hebben, waarvan andere wantsen nog wat extra midden op hun hoofd hebben.

Die zesvlekprachtblindwants wordt tegenwoordig het meest in het Amsterdamse Bos waargenomen. Specifiek het Vogeleiland.
En dan vraagt men zich natuurlijk af: maar waarom wordt dat nu verteld? Straks gaan alle camera’s onmiddellijk op jacht!

Momenteel is het beestje niet te vinden. Ze hebben gepaard, eieren gelegd; die liggen voor de winter goed verstopt. Pas eind mei komen volwassen wantsen tevoorschijn. Dan is men dit stukje alweer vergeten. Maar hebben ze bovendien de kans gehad om zich in nog grotere getale in het Amsterdamse Bos te bevinden.

Maar daar zou je ook Zijperspace kunnen lezen.
(Bovenstaande geschreven voor ‘t Amstelveens Nieuwsblad)

Twaalven

Vlak na 12-en schrijf ik deze zin op. Dat doe ik omdat ik weet dat ik ‘m straks weer kan schrappen. Als-ie te onbeduidend blijkt, de lading niet dekt of er meer betekenis moet zijn.
Ik schrijf net in een berichtje dat een eerder stukje tekst geslaagd was omdat de punt tussen beide op precies de juiste plek stond. ‘t Bepaalde ‘t tempo.
Ziet u, dat bedoel ik. Dat op welke manier je een tekst aan laat vangen bepalend kan zijn. Ook daar begint vaart. Of ‘t gebrek er aan.

De gordijnen blijven hier ondertussen dicht al die tijd. Pas als mijn leven van de dag werkelijk lijkt te beginnen, de buitenwereld zet ik op een ander tijdstip open dan digitaal, worden de vensters geopend.
Die bij mij eigenlijk niet meer zijn dan 2 gordijndelen die verschoven worden & wat meer licht dat binnen valt. Dat zijn mijn vensters, hun bediening.
Ik word in ieder geval niet afgeleid tot die tijd. Niet door de gedachte dat men mee kan kijken, mocht men tussen de berkentakken kunnen gluren of van andere achterzijde een verrekijker hanteren; niet door vogels & andere geluiden die om begeleidend beeld vragen.

Pillen dienen geslikt, nu de ontbijtfase definitief achter me is gelaten. ‘t Doosje, waar alles op maandag weer gesorteerd dient te worden, heeft 1 van z’n schuifjes al klaar staan op de juiste dag. Nog leeg weliswaar, maar ik besef me welke dag ‘t aanwijst & waar ik in de tijd sta momenteel.
‘t Vullen is zo’n wens ‘t te kunnen ontwijken, elke maandag, nu eens een keertje niet nodig. Of: morgen doe ik ‘t wel.
Tegenbeterweteninwensen, waarvan je weet dat dit werkwoord nooit vervuld zal worden. De tijd sleept veel te snel voort om ‘m achteraf zo te benoemen. ‘t Is slechts in ‘t beleven van die ongewenst verplichte handelingen dat hij in vertraging schiet. Vergeten tegen de tijd als toch blijkt dat er nog andere vulling aan de dag gegeven moet worden.
Zit dat wat niet voegen wilde in ‘tzelfde gehaaste leefpakket van een later vergeten dag slechts gemarkeerd door de uitvinding van de agenda.

Ik ga ‘m maar eens vullen, denk ik, die agenda. Niet met notities, nooit goed geweest daarin, maar met beweging, schrijven, alcohol aan ‘t eind met een boek in de andere hand. Wie weet komt buiten er straks ook nog aan te pas in ‘t voorbijgaan.

Je kan soms niet zeggen wanneer die passeert in Zijperspace.

Steunblok

Haar foto stond op tafel. Hoewel ze de steun niet nodig had, stond er een houten blokje achter, waarbij ‘t 3-vouwig herdenkingskaartje, uitvaartkaartje, afscheidskaartje…
Laatste kaartje met haar favoriete gedicht. Laat ik ‘t zo maar noemen.
…waar dat kaartje omheen zigzagde. Zodat ze uit zichzelf overeind bleef staan. Haar lach, armen langs haar lichaam; bijna een totaalshot, net niet.

Ze was overleden. In maart.
‘Ja, aan corona,’ kregen we te horen.
Waar je niet om durft te vragen.
‘O, wat erg,’ ontsnapt al je lippen voordat je je beseft dat ‘t misschien stereotiep is.

Een week later durf ik haar in 1e instantie niet te verplaatsen. ‘t Is weliswaar tijdelijk mijn verblijfplaats, maar dat zij midden in ‘t leven van dit huis staat, daar moet ik niets aan willen verhuizen.
2 Dagen later moet ik wel. M’n bord met eten past anders niet.

‘Ja, in Tilburg woonde ze.’
‘O, dus midden in…,’ maken Tineke & ik onze zin niet af.
‘Ja, net als haar broer & zus.’
Op een vragende blik gaat hij maar door: ‘Ja, m’n oom & tante zijn ook overleden. Hij op zondag, zij op dinsdag. Binnen een week m’n moeder ook.’
Ik denk & niet zeg ‘dat ‘t nu wel heel dichtbij komt’, maar daar moet je mond op slot, besluit ik.
‘Een hele generatie weggevaagd in 1 week,’ concludeert hij er maar even bovenop.

‘t Was voor hem natuurlijk al lang geleden, bedenk ik aan m’n bord eigengemaakte diepvriesmaaltijd, geïmporteerd uit Amsterdam.
Ik keer ‘t kaartje een stukje, zodat ik ‘t gedicht kan lezen. Lezen zonder woorden in je hoofd te laten glijden. Ik weet: een kindergedichtje. Zoet & soezig, vol goede lente-herinneringen, waar je in zou willen blijven hangen van elke zin de juiste toon.
Binnen een week moest ‘t huis leeg zijn. ‘t Was al lang geleden voor als je Brabant in die tijd had meegemaakt, de plaatselijke kranten op de deurmat elke dag opnieuw weg moest ruimen.
Zo’n abonnement is pas opgezegd als de bezorger de routine uit z’n systeem heeft, weet ik van de wijken die ik in m’n jeugd had.

Mijn vader was plots redelijk bij toen hij z’n laatste sacramenten kreeg. Hij deed nog mee met ‘t gebed. De zaal van familieleden & andere naasten uit eerbied vol in stem, maar je kon zijn stem toch horen prevelen. Een neefje kriebelde in z’n baard.
M’n moeder die enkele jaren later gewoon plots op bed met kleren aan op bed lag.
Dat was ook een mooie dood.

Ik bekijk m’n vergelijkingsmateriaal als ik weer ‘t blokje verplaats & foto plus gedicht mee laat liften. Bedenk m’n ouders weer als weg.
Dat ‘t maar goed is dat ze dit niet hadden hoeven meemaken. Er zijn mensen die vóór dit jaar overleden & van dit jaar & van later.
Een schifting van doden in groepen van ander begrip.

Ik zeg Tineke gedag vlak voor zij die kant op gaat. De katten & konijnen zijn nu 2 weken haar taak.
Ik vertel haar niet dat ik me afvraag waar die foto nu staat. Midden op tafel waar ik ‘m achter heb gelaten vanwege m’n laatste schoonmaakbeurt of op de plek waar m’n bord moest staan?
We zeggen elkaar gedag. Ik heb nog een laatste reden om emotioneel te worden & dan rijdt ze weg richting oppashuis.
‘t Is lang geleden een knuffel. Zelfs een kus.

Maar daar moet je niet te veel aan denken in Zijperspace.

P-erkentelijkheid

Hoi P.,

Dank je voor vanmiddag. Ik stond verbaasd dat mijn boodschap, mijn vraag eigenlijk, eindelijk eens overkwam. Vreemd elke keer dat ik steeds de ervaring had dat mijn vraag om extra hulp niet aankwam. Er werden me wel paden gewezen, in 1e instantie een simpel lijkend weggetje, in 2e instantie een vervolgpad nav een reactie op die 1e.
Maar ‘t beloofde me geen coach.

Tot voor kort heb ik bij een coach altijd alleen kunnen denken aan sporters.
& Ik ben verre van dat. Hoewel ik vaak veel mogelijkheden zie voor andere betekenis-invullingen van woorden, heb ik me nooit voor kunnen stellen dat ik er ooit 1 nodig zou kunnen hebben.
Een huisarts, een dokter, een psycholoog, mensendieck, fysiotherapie, cardioloog; ik was overal toe bereid om de bevestiging van m’n leven te kunnen ervaren. Daarbij hypochondrie door de achterdeur te kunnen distantiëren van m’n geloof in mijn voortbestaan.

Ik blijk bepaalde dingen niet te kunnen. Niet uit mezelf. Op 56-jarige leeftijd moet ik die blijkbaar alsnog mezelf eigen maken.
Moest.
‘t Zou kunnen dat ik ze inmiddels een klein beetje in de vingers heb, als ik goed geluisterd heb, de afgelopen tijd. Als ik de aanwijzingen enigszins op mezelf heb toegepast.

Ik lijk gemankeerd. Vanaf ‘t moment dat we er achter zijn gekomen.
Terwijl ik eigenlijk een hele goede manier had om mijn tekortkomingen te verbloemen, waardoor ik niet beter wist, & de rest van de mensheid evenmin.
Maar een mens struikelt over een drempel op een ongelukkige manier, & als ‘t opkrabbelen niet onmiddellijk lukt gaat ‘t opnieuw recht overeind staan nou 1maal langer duren. ‘t Duurt lang voordat ingebakken aangeleerde dingen weggeroest zijn, waardoor ‘t mogelijk wordt te zien wie een mens werkelijk is & dat je met misvormde benen niet op dezelfde manier loopt als wat voor normaal doorgaat.
& Dan tegelijkertijd de notitie: wat is misvormd als je toevallig een uitzondering bent & lopen al die tijd evengoed wel ging? Er blijken velen met ‘tzelfde kwetsuur, in die zin dat ‘t pas zo mag heten als je jezelf hebt leren struikelen. & Zo ‘t hebt leren erkennen.

Ik zal straks blij zijn een coach te hebben. Ik ben te moe om mezelf bij te brengen hoe ik moet lopen met benen waar de Olympische Spelen niet mee te winnen zijn, of een wat dan ook mindere wedstrijd.
Inmiddels oud genoeg wil ik eigenlijk alleen maar paden bewandelen, m’n stevige fiets ook besturen langs alleenwegen & door mezelfstegen, m’n neus stoten waar dat betaamt, gedag te zeggen waar men alleman door een handzwaai al genoeg verstaat.
Ik ben benieuwd waar de rij-leraar in spe zijn verborgen rem of ingrijpende correctiehulp in zal zetten.

Desnoods een hink-stap-sprong richting ‘t nieuwe Zijperspace.