appel

Appel

Ik heb geprobeerd de boom recht in de grond te zetten, maar blijkbaar heb ik de grond niet hard genoeg aangestampt.
Een jaar later stond-ie scheef.
Nu, met een redelijk dikke stam, nog steeds. Alleen iets steviger scheef.

Ik heb zoiets van dat de natuur dat uit zichzelf wel corrigeert. Bloemen blijven de lucht in wijzen.
Alles wil omhoog. De zon tegemoet.

Maar goed, ’t illustreert wel m’n falen. Ik probeer er iets van te maken, van die tuin, maar in al m’n onnozelheid maak ik fouten.
M’n behoefte aan corrigeren ook.

Ik probeer de katten weg te jagen. De slakken te vernietigen. De padden te ontwijken. De vogels te koesteren door bewondering.

Ik heb ook geprobeerd tegen de achterschutting bakken te bevestigen. Daar moesten hangplanten in komen.
Ik kende weliswaar geen hangplanten, maar daar wist de natuur vast raad op.
De natuur die tuincentrum heet.

Ik was vergeten dat je dergelijke planten, ze stonden hoog & droog, regelmatig met vocht moest bijvoeden. Ze stonden ook te ver weg voor m’n tuinslang, die gloedhete zomer.
De bakken vielen binnen een jaar uiteen. Naar beneden.
De haken die ze in bedwang moesten houden hangen er na al die tijd nog steeds. Leeg. Ik probeer ze te vermijden als ik foto’s neem. Een foto met een haak is mislukt.

Nu moet ik nog durven van de appel te eten. Opnieuw proberen.

Ik kreeg last van m’n maag rond m’n 20e. Van m’n darmen eigenlijk. ’t Zou ook een jaar later kunnen zijn geweest.
1st Met koffie gestopt. Toen met appels. Daarna met bananen. Norit & strepsils werkten ook averechts.
’t Deed me aan m’n moeder denken die vanwege haar migraine haar dieet steeds verder aangepast zag worden. Een alternatieve geneeswijze waar ze uiteindelijk niets aan bleek te hebben.

Ze mocht ook geen bril meer dragen waar mogelijk goud in verwerkt zat. Of kettingen.
Geen vet meer eten na 7 uur ’s avonds.
Geen koffie voor 10 uur ’s ochtends. & Dan hooguit op gezette tijden. Op de minuut precies. Zonder ’t gewoonlijke ½e schepje suiker.

Onze moeder zat in een dwangbuis. Onderweg naar Zwitserland at ze op voorschrift bijv geen fruit.
Ze had vervolgens de meest knallende hoofdpijn ooit. Langs de kant van de snelweg moesten we stoppen om haar te kunnen laten overgeven.

We konden wel naar onze vader luisteren, die gewoonlijk zei dat we op zaterdagavond vroeg thuis moesten zijn om Ma een beetje nachtrust te gunnen, maar zelfs als we dat deden wisten we dat de zondag aan hoofdpijnstilte verloren zou gaan.
De zondag was, buiten de kerkdienst, vaak stil. Muisstil.
Alleen Pa had toestemming zijn jazzplaten te draaien.

Tot ze eindelijk mee mocht doen met een experiment. Ze mocht een nieuw medicijn proberen.
Weg!
Ze had na ’t inspuiten van ’t medicijn binnen de kortste keren nergens last meer van.
(ze heeft ’t bij mij ooit ook eens ingespoten; ’t was een paradijselijke ervaring om je koppijn door je lichaam weg te voelen smelten)

Maar ik heb zo veel dingen geprobeerd, probeer ik mensen tegenwoordig duidelijk te maken. Die dingen zijn me alleen niet bevallen.
& Nu wil ik aan m’n lijf geen veranderingen meer. Niets nieuws moet moeten. Alles moet blijven. Alles moet staan.
Rechtovereind.

Tenzij ’t altijd anders is geweest in Zijperspace.

wilde hyacint II

Wilde Hyacint II

Ik was als enige zoon mee. Een wandeling door ’t Wildrijk.
Waarschijnlijk had m’n vader ’t zo bedoeld dat ik dan m’n oma zou kunnen bedanken voor ’t geld dat ze me voor m’n studie geleend had.

Ik was niet zo dankbaar. Ik vond dat m’n vader dat geld zelf had moeten bekostigen.

M’n vader wist dat dit een bijzondere wandeling zou worden. Hij was op de hoogte van de bloei van de wilde hyacint.
’t Wildrijk zou er vol van staan.

Ik deed niet meer zo veel aan wandelen. Ik was blij dat ik los was van m’n ouders. Geen verplichtingen meer om mee te gaan op de zondagse tochtjes.
Tenzij ik in ’t weekend terug was in Den Helder.

Dus Opa & Oma, Pa, Ma & ik.
Met de wandelstok van Opa erbovenop.

Hij klaagde onderweg dat de grond te zacht was voor z’n stok. Dan ondersteunden we ‘m een tijdje.
Meestal kwam dat op mij aan.
‘Jij bent tenminste nog een krachtige jongeman,’ zei Opa.
Ik voelde me nergens meer door gevleid. Ik kende alle voorspelbaarheden in de familie.

Veel oh’s & ah’s onderweg. Terwijl we al in de 1e bocht ’t bos overwoekerd van de wilde hyacint hadden zien staan.
‘’t Is toch wat,’ zei m’n oma, ‘wat de natuur vermag.’
Ze hield daarbij m’n moeder vast bij d’r elleboog.
Ik wist dat m’n moeder liever verder liep.

Ondanks de voorspelbaarheid was ik ’t stiekem roerend met ze eens. Ik had nog nooit zoiets moois gezien. Een bos overdonderd door zoiets tijdelijks.
Je kon de elfen tussen de bloemen zien twinkelen als de zon plots een straaltje door de takken door liet ontsnappen.
Ik liep vooruit, of ik liep vooraan. In stilte.

Ook op de weg terug moest m’n opa achterin.
‘Opa stop ik voortaan achter in de auto,’ had Pa een jaar ervoor besloten. ‘Hij bemoeit zich te veel met ’t verkeer. Dat leidt af.’

Toen m’n opa overleden was, nam Oma bij ritjes met de auto zijn plek op de achterbank over.
‘Daar heb je tenminste beenruimte,’ zei m’n vader haar.
Maar hij was blij dat hij haar niet meer naast zich hoefde te velen.
‘Dat leidt maar af,’ zei hij weer.

Vervolgens was ook m’n oma dood. & M’n vader kreeg Parkinson.
Op ’t laatst besloot m’n moeder om ook m’n vader achter in de auto te zetten.
Ik weet er niet eens de reden meer van.

We zijn een keer naar ’t Wildrijk gereden. Met z’n 3-en.
Als m’n vader niet meer kon, dan nam 1 van ons ‘m bij de arm.
Geen oh’s & ah’s. M’n vader kende niet meer zo veel emoties.
& Op de weg terug zat ik naast m’n moeder, vóór in de auto.
‘Ik wijs de weg,’ legde ik m’n vader kort uit.

Hoewel ik de slechtste gids van Zijperspace was.

wilde hyacint

Wilde Hyacint

Elk jaar hoop ik dat de wilde hyacint bloeit op m´n verjaardag. Tegen beter weten in. ´t Plantje haalt ´t elke keer net niet. Zelfs niet ´t 1e vroege klokje.
Dus moet ik de visite omschrijven hoe de tuin er uit zal zien.
´Met blauwe & roze klokjes,’ vertel ik ze. ‘Helemaal vol.’

Meer komt er niet uit. ’t Feërieke aspect wil niet over m’n lippen komen.
Maar ’t is al heel wat als ik op de 10e april met de gasten in de tuin mag zitten van Moeder Natuur. Zo warm dat een kortmouwig shirtje genoeg is.

Ik doe ’t evenzogoed niet meer. Ik heb er niet zo’n zin meer in.
‘Ik vierde altijd m’n verjaardag,’ vertelde ik laatst iemand, ‘maar sinds m’n broer is overleden wil ik dat niet meer.’

Vorig jaar opnieuw een keertje geprobeerd. ’t Was best gezellig hoor, de bloemen stonden weer op ’t punt van doorbreken & ’t vroege lentezonnetje zorgde ervoor dat we ‘t bier in de tuin konden drinken, maar toch haalde ik er geen voldoening uit.
Zijn daar ook andere woorden voor?

‘Ik weet niet of ’t aan m’n broer ligt,’ probeerde ik een andere keer uit te leggen. ‘’t Kan ook zijn dat ik zelf ben veranderd. Er is nogal wat gebeurd, sinds toen.’
& Dan probeer ik te bedenken wat er dan gebeurd is.
Alsof er revolutietjes hebben plaatsgevonden, zo klonk ’t uit m’n mond. Maar geen enkele werkelijke revolutie komt me voor de geest als ik m’n herinneringen probeer af te speuren.

‘Je noemt je broer wel als je ’t over je verjaardag hebt,’ reageerde iemand op m’n uitleg. ‘Dan zal ’t vast wel belangrijk zijn geweest.’
Ja, dan zal ’t vast wel belangrijk zijn geweest.

Ik wil ‘m echter die eer eigenlijk niet geven.
Ik herinner me steeds vaker dat ik vlak voor z’n dood vooral kwaad op ‘m was. Ik hoefde ‘m niet zo nodig nog te zien.
Maar dat zeg je niet over een dode broer.

Ik heb in m’n tuin een dode kat liggen. M’n buren van 2-hoog wilden ‘m niet op een anonieme plek begraven.
Ik heb ze gezegd dat mijn tuin hun tuin was. Ze moesten er toch zeker elke dag naar kijken…
In z’n eigen dekentje is de kat toen in een kuil aan de rand van m’n tuin gelegd. De berg zand er weer bovenop.
1st Is de deken vergaan, stel ik me voor, vervolgens zijn de kleine beestjes in de grond begonnen met ’t verorberen van ’t lichaam.

M’n broer is verbrand. Z’n lichaam is echter bij mij net zo langzaam verteerd als de kat van de bovenburen. Ik vind nog restjes.

Als ik ’t over m’n jeugd heb, schrijf of praat ik vaak in ‘ons’ & ‘wij’. We scheelden slechts een jaar.
Maar op de dag van zijn verjaardag waren de knoppen van de wilde hyacint, zelfs de stelen waarop ze later te voorschijn zouden moeten komen, nog niet zichtbaar.

Ook die verjaardag wordt niet gevierd in Zijperspace.

prunus

Prunus

Gisteren heeft de wind de blaadjes over m´n tuin verspreid. Er bestaan geen bloemen van de prunus meer.
Een verspreide witte deken. Met hele grote gaten.

Hij is van m´n buurman. De bloemen reikten nog net tot mijn tuin.
Ik stond tegen onze gezamenlijk afrastering geleund om de foto te kunnen nemen.
´t Geluid uit. Ze hoeven niet te horen dat ik bezig ben.

Zogauw ik de tuin in loop weet ik dat ik door zo´n 50 mensen gezien kan worden. Zoveel mensen wonen er om mij heen. Met zicht op mijn bezigheden.
Ik moet m´n aanwezigheid niet extra benadrukken. Zeker niet als ik foto´s neem.
Ik vind dat nog steeds niet gewoon.

Van de week zaten er in de kroeg waar ik bier dronk 2 mannen tegenover elkaar. Om beurten haalden ze hun camera te voorschijn. Ze registreerden elkaar, zittend in de stoel. Tegenover elkaar, in de kroeg.
Ik durf niet eens te laten merken dat m’n telefoon foto’s kan nemen.

& Meer nog: vooral de buurman die eigenaar is van de prunus mag niet zien dat ik zijn boom fotografeer.
Alsof ik ‘m steel. Beetje bij beetje.

’t Was anders ooit. Alles was van elkaar.
De vuilnismannen kwamen altijd bij de buren koffie drinken. Ze leunden tegen de muur. 1 Vuilnisman zette z’n rechterschoen tegen de muur tussen ’t huis van de buren & die van ons aan. & Als je zin had ging je er bij staan. Of er tussenin.
M’n moeder zei dat de buurman ook een tijdje vuilnis was wezen halen.

We hadden wel een hogere schutting in de achtertuin. Hoewel ik dat niet meer kan controleren. Wij kinderen kwamen er niet bovenuit met onze hoofden. Als de hond van de buren uitgelaten werd op ‘t achterplaatsje, konden we dat alleen aan zijn droge blaf horen.
Z’n keel was versleten, zei de buurman. Hij had minstens de leeftijd van hem.
Honden konden toch niet zo oud worden, wisten wij.
Jawel, want de jaren van een hond gaan sneller. De buurman vertelde dat een hond eigenlijk 7 keer ouder was dan z’n werkelijke leeftijd.
We leerden de relativiteit van de ouderdom. Hoe snel ’t ging & hoe langzaam.

Itam, de hond, stonk.
Dat was ook iets relatiefs. Maar dat wisten we toen nog niet.
De buurman had er geen last van. Wij ook niet. Pa & Ma wel. M’n oudste broers ook.
Dat was blijkbaar ook iets dat met de jaren kwam & dan op een gegeven moment weer verdween. Wij aaiden Itam & sommige mensen thuis vonden dan dat je je handen moest wassen.

Altijd 1st vragen, zei m’n moeder als we door ’t hekje van de buurman wilden om Itam te aaien.
Nee hoor, vond de buurman, jullie hoeven ’t nooit te vragen. Itam is ook van jullie. Itam is eigenlijk vooral van jullie.
We gingen naast ‘m zitten & wreven ‘m in de nek. Ook over die rare bult.

Tot-ie ons beet. Of eigenlijk net niet. Z’n bek haalde ’t niet.
De bult was gaan etteren. Zoiets zei de buurman. Itam had pijn.
Toen was Itam niet meer van ons. Itam was van zichzelf & ging uiteindelijk dood.
Die enkele keer dat we ‘m nog mochten aaien voordat ’t zover was gingen we uit onszelf onze handen wassen.

’t Regent vast nog wel een tijdje bloemblaadjes in Zijperspace.

sneeuwroem

Sneeuwroem

Ik was bij m´n moeder langs.
Ik zou m´n verjaardag niet vieren & voor die tijd moest ik toch m’n gezicht even laten zien.

We keutelen altijd een beetje aan. We kopen een visje voor bij de lunch, zetten thee & praten een beetje aan de tafel in de achterkamer. Soms leggen we wat stukjes op de juiste plaats als m’n moeder daar weer een puzzel van minstens 1000 heeft liggen.
Ondertussen komt de familie & de gezondheid langs.

Soms heb ik in m’n rugzak wat kleren zitten. Of ze die zou willen repareren.
Dan vraagt zij of ik de instellingen van de telefoon na wil kijken. Ik mag ook vaak de computer weer in orde maken. Zodat ze weer patience kan spelen.
Dit keer was ze alle spelletjes op de computer kwijt.
Onoplosbaar was dat.
Ik ben bang dat m’n moeder de computer nu veel minder zal gaan gebruiken.

Toen ik klaar was met de computer ben ik weer naar beneden gegaan. Ik keek hoe ze met de naaimachine de mouw van een t-shirt aan ’t herstellen was.
‘Wat ga je doen met je verjaardag?’ vroeg ze.
‘Oh, niets.’
& Ik deed de deur open naar de achtertuin.
‘Misschien dat ik nog naar een museum ga,’ zei ik vlak voor ik naar buiten stapte.

Ik keek naar de bloemen die nog van m’n vader waren geweest.
Zo voelt dat als je alle plantjes door elkaar ziet groeien. Geen bedden. Niet alle soorten ordentelijk bij elkaar verzameld. Gewoon zoals ’t komt.
Ik nam enkele foto’s met m’n telefoon.

‘Jan, wat is dit?’ vroeg ik ’s avonds in een mail. ‘Stond volop te bloeien bij Ma in de tuin.’
Jan vertelde over een bosanemoontje dat net bij hem in ’t bos opgekomen was. Dat leek sprekend.
‘Heeft Pa een jaar of 10 geleden uit ’t buitenland meegenomen.’
Maar hij nam voor de zekerheid ook nog een kijkje bij Ma in de tuin.

Pa had z’n schepje altijd bij zich. Nog net niet in z’n rugzak tijdens wandelingen. Maar wel achterin de auto. Hij reisde 1000-en kms mee.
& Anders had-ie wel een mesje bij de hand om bloemen af te snijden. Of postzegelzakjes om zaad in te verzamelen.
Thuisgekomen plantte hij die uitheemse soort dan ergens. Meestal in de eigen tuin. Maar hij vertelde ook wel eens glunderend dat een natuurgebied in Den Helder binnenkort overwoekerd zou zijn met zwitserse alpenroosjes.

Ik weet niet of ’t een roeping van ‘m was culturen te laten mengen. Misschien dat hij wilde voelen dat hij grip had op de natuur. Hij wilde er onverwachte grappen mee uithalen.
‘Moet je niet vertellen tegen Jan,’ vertelde hij toen we door ’t kooikersbos wandelden om in vakantietijd de eenden te voeren, ‘maar die plantjes daar heb ik hier uitgezaaid. Doet ’t dus niet alleen goed op de zwitserse alpenweide.’
De glunder. Konen rood. Neus puntig. Een twinkeling in z’n ogen. & Z’n bovenlip naar beneden om z’n slechte gebit gespannen bij ’t lachen.

Nee, ’t is sneeuwroem, mailt Jan na bezoek aan Ma.
De meeste bollen bloeien eerst. Daarna komen pas de bladeren.

Ik zoek ’t op. Een stinzeplant. Dat betekent dat-ie meegenomen is uit andere culturen. Klein-Azië in dit geval.
Maar voor ‘tzelfde geld had ’t Zwitserland geweest.

Dat is immers niet zo ver verwijderd van Zijperspace.

appelbloesem II

Appelbloesem II

’t Zijn er nu zo veel dat ze me aan ballonnen doen denken. Opstijgende ballonnen.
Ik heb nu al een 50-tal foto’s genomen om die ballonnen te ‘vangen’. Alsof ’t ook echt ballonnen zijn.
Maar ’t toestel werkt niet altijd mee.
Soms ziet ’t er uit als een wolk opstijgende ballonnen, maar dan is de foto zelf niet mooi. Of staat er geen enkele bloem scherp in beeld.

Ik wil nu juist ’t moment terug krijgen van de 1000-en ballonnen die ooit bij de speeltuin de lucht in werden gelaten.
Ze hadden weliswaar allemaal andere kleuren, maar ’t effect was ‘tzelfde. Als een schoorsteen die zijn rook naar boven zag vlieden. Langzaam uitdijend.
Maar dan in kleine bollen. Veel kleine bollen. Kleurrijk.

We mochten met z’n 3-en meedoen. M’n neefjes ook. Ik denk dat we er met 6 neven aanwezig waren. 3 Moeders.
Misschien zelfs iets meer.
’t Was een feestelijke aangelegenheid. De speeltuin bestond 5 jaar.

Nieuw Den Helder was nog een jonge buurt. Maar voor ons leek dat 5-jarig bestaan al een eeuwigheid. Dat was net een paar jaar korter dan dat wij bestonden.
Ons eigen bestaan was toen al niet meer te overzien.

De speeltuin was de plek waar elk kind na schooltijd kwam. Omheind spelen. Met wippen, schommels & een draaimolen.
Als je de beheerder lief aankeek, kon je desnoods ook nog stelten krijgen. Moest je toestemming van je ouders voor hebben. Of een duppie. 1 Van 2-en. ’t Was in ieder geval niet vanzelfsprekend dat die stelten uit de schuur van de beheerder werden gehaald.

Op die speeltuin speelde zich ook nog m’n 1e liefde af. M’n 1e teleurstelling in de liefde eigenlijk.
Waarom dat niet gewoon in ’t klaslokaal of op ’t schoolterrein kon, ze zat tenslotte bij mij in de klas, ik zou ’t niet meer weten. Maar blijkbaar speelt de schommel in de liefde net wat meer tot de verbeelding dan de banken & tafels tijdens de les.

M’n moeder & 2 tantes. Die waren met ons meegekomen.
We ontmoetren elkaar die zaterdagmorgen op ’t pleintje achter ’t overdekte winkelcentrum, vóór ’t speelterrein. 3 Neefjes, 3 broers, 2 tantes & onze moeder.

De beheerder zei dat speciaal voor ’t goede doel, een nieuwe grote glijbaan, er ballonnen verkocht gingen worden.
Je kon prijzen winnen. De ballon die ’t verste weg gevonden zou worden had gewonnen. Als ’t kaartje tenminste teruggestuurd werd.

We kregen allemaal 2 dubbeltjes. & Omdat ’t zo druk was bij de beheerder, moest 1 persoon ze halen.
Frank. De oudste.
Hij kwam terug met 12 ballonnen & 12 kaartjes.

M’n tante haalde een pen uit haar handtas & wij vulden onze namen & adressen in. Zoals de beheerder ons had uitgelegd & onze moeders meermaals zijn woorden hadden herhaald.
Daarna volgde ’t knopen. Alle kaartjes vast aan de touwtjes van de ballonnen.
Frank had ze nog steeds vast. Z’n broertje had de naam van Frank op 2 kaartjes ingevuld.
Om beurten legden wij een knoop. Als iemand ’t niet stevig kon, stond 1 van de moeders ‘m bij.

Toen mocht Frank ons ieder zijn eigen ballonnen geven. We zouden allemaal tegelijk de ballonnen laten gaan. 1000-en. Voor onze nieuwe glijbaan. Of een leuke prijs voor jou alleen.
Dat laatste, daar was ’t ons eigenlijk meer om te doen.

Maar Frank zat vast. De touwtjes zaten met elkaar verweven. Door al die knopen, al die kaartjes, al dat gewacht.
‘Dan moeten ze allemaal tegelijk,’ zei 1 van de moeders snel.
Anders waren we te laat.
‘Maar dat wil ik dan doen,’ klonk er uit 5 kelen tegelijk.
Dus gaf mijn moeder Frank een teken & liet hij de hele bos in 1 keer gaan.

Verontwaardigd keerden wij ons af.
We gingen aan de overkant staan, omdat we niet meer mee wilden doen. Af & toe kijkend hoe onze tros als laatste hoogte begon te krijgen.
M’n oom was ondertussen gearriveerd.
‘Die gaat ’t extra lang volhouden,’ probeerde de man de mislukking goed te maken, ‘want als 1tje ’t begeeft, dan nemen de anderen ‘m evengoed mee.’
‘Of hij sleurt de anderen met zijn gewicht mee naar beneden,’ zei de oudste onder ons vroegwijs.
Maar dat was Frank. Naar hem wilden we zowiezo niet meer luisteren.

Ze zijn niet weergekeerd in Zijperspace.

tulp IV

Tulp IV

Als je op je top zit, wil dat dan niet eigenlijk zeggen dat je er al overheen bent? Er vallen gaatjes, in dit geval dreigen er blaadjes af te vallen, maar door de aankomende aftakeling lijken de scheurtjes die zich in de verschijning voor gaan doen de kracht van vlak ervoor te weerspiegelen.
Of iets dergelijks. Ik moet de woorden nog in de juiste volgorde zetten.

Ik had al enkele jaren niet gepeld. Een poging tot studeren, gekte & werkloosheid hadden me er vanaf gehouden.
Maar toen m’n relatie was beëindigd & ik m’n 2e poging tot studeren moest zien te bekostigen, ben ik toch maar weer naar een bollenboer gestapt.

Ik logeerde in de caravan van m’n ouders, bij m’n broer op ’t platteland gestald, & liep elke ochtend enkele 100-en meters naar de bollenschuur.
Buiten de familie van de boer was ik de enige die lopend aan kwam zetten. De rest was scholier, dus op de fiets, of huisvrouw die ’s ochtends door de man met de auto werd afgezet.
Ik was de oudste van de niet-huisvrouwen.
Ik verdiende ook ’t meest. Ondanks dat ik er enkele jaren uit was geweest, vulde ik de meeste kisten met gepelde bollen.

Ik was een vreemde verschijning voor al die kinderen tussen 12 & 18 jaar. Te oud. Te wereldwijs. Elke zin die ik sprak kwam aan als een waarheid.

Ik zag weer broertjes die ruzie met elkaar maakten, over bollen die bij de ander in de kist gevallen waren. Ik zag meisjes verliefd worden op de schuurknecht. Ik zag een boer die 24 uur lang in de schuur leek rond te bewegen. Ik zag m’n vingers slijten. & Opnieuw uitdijen van ’t snel reagerende eelt.

‘Vind je dit goede muziek?’ vroeg de 1e durfal mij.
’t Brutaaltje. Buiten hem had nog niemand z’n mond tegen me open durven doen. Behalve de boer zelf dan.
Hij had z’n hoofd tussen de kuubkisten geschoven om zich boven de radio uit voor mij verstaanbaar te maken.
Ik reageerde alsof er niets aan de hand was. Ik wist overal antwoord op te geven, ook al werkte ik hard.

Ik mocht meeëten bij m’n broer. Maar daarna weer de caravan in.
Ik las. Liggend op de kussens waar we vroeger strips in verslonden. & M’n ouders hun vakantienachten op doorbrachten. & Ondertussen verzon ik listen om m’n ontbijt zo goed mogelijk koel te houden.

Als ik uitgedacht & uitgelezen was, waagde ik een enkele keer de wandeling naar ’t dorp.
Ik vroeg me wel eens af waarom ik die reis ondernam. Lopend. Toch zo’n 30 min gaan. Alleen maar om in een onbekende dorpskroeg 2 bier te drinken. & Dan te bedenken dat ze geen contact met een stads mens wilden maken. Ook al was-ie de broer van een dorpsgenoot.
Ze keken & gingen vervolgens aan de andere kant van de bar zitten. De barman sloot zich al snel bij dergelijk gezelschap aan. Die kende hij tenslotte.

Op de terugweg vroeg ik me af of ik me zo ook voortbewoog in de grote stad inmiddels. Onbekend, tastend, niet wetend wat de anderen wilden.
’t Doel leek altijd zo duidelijk, daarvoor. Je ging uit & ontmoette de rest. Al degenen die je van gezicht kende. Een knikje met je hoofd was vaak genoeg. Wachten tot de ander wat zei verbloemde ’t gebrek aan fantasie. Gebrek aan belangstelling soms ook.

Ik zei dat ik de muziek niet leuk vond.
‘Kan er niet wat anders op?’
Wat ik dan wou. ’t Jochie moest in z’n stoere rol blijven & verder vragen. Want iedereen luisterde mee.
‘Hm, Radio Tour de France bijv.’
Hij sprong op, gilde naar de mensen die naast ‘m zaten, trok daarbij z’n handschoenen uit: ‘Zie je wel! Zie je wel! De Tour de France moet aan!’
Hij rende naar de radio die ergens in ’t midden van de schuur stond & gaf een draai aan de knop.
‘Ici, Radio Tour de France.’

Ik was oud, besefte ik. Ouder dán. Maar ’t enige wat ik ermee opschoot was dat ik eindelijk in de zomer de Tour kon volgen.
& Ik had een jochie te vriend die 1 keer per dag langs kwam om een praatje met me te maken. & Omdat we toch iets met onze vingers moesten blijven doen, hielp hij in z’n eigen trage tempo mee m’n kist te vullen.

Er zaten scheuren in Zijperspace.

dalkruid

Dalkruid

Al jaren verkeerd gedacht. Misschien moet ik die conclusie trekken.
Het rare is dat ik niet weet wanneer & hoe de naam dalkruid zich in m’n hoofd is gaan nestelen.
Maar ja, er zijn zoveel dingen die ik niet meer weet. & Sommige dingen waarvan ik denk ’t wel te weten, hebben zich spontaan zo gevormd, terwijl ’t eigenlijk anders is gegaan. Niemand die mij kan vertellen wat de ware toedracht was.
Zo speelt zich een onware geschiedenis in mijn geheugen af.

’t Staat me bij, maar ik vertrouw nu niets meer van wat ik me denk te herinneren, dat ’t bij 1 van de kluiten van m’n vader zat. Misschien per ongeluk, dat ik er een jaar later pas achter kwam.

’t Moet 20 jaar geleden zijn. Zo rond de tijd van mei. Want de meeste bloemen bloeiden. & ’t Was ’t laatste volle jaar dat ik met m’n toenmalige vriendin samenwoonde.
Een bezoekje aan een professionele heemtuin, opengesteld voor publiek, met z’n 4-en. Pa & Ma & wij.
We wilden eens kijken of er ook iets te verzinnen was voor onze schaduwtuin. Want veel anders dan springbalsemien & varens groeide er niet.

Ik had er al vele bibliotheekboeken op nageslagen. Planten & kruiden die de schaduw aankonden. Bosplanten.
Maar veel keuze was er niet.
Ook niet in ’t winkeltje bij de heemtuin.

Dus reden we verder. Met achterin de auto een kleine hoeveelheid plantjes die mijn vader interessant had gevonden.
We reden door een bos. Met op een gegeven moment een uitkijktoren.
Ik weet niet hoe m’n vader al dat soort informatie te weten was gekomen, maar hij vertelde dat ’t een mooie panorama zou geven.
Hij zal er wel tijdens al die wandelingen van hem langsgekomen zijn.

M’n moeder hoefde niet. Ze was al doodop van de migraine & ’t struinen door de tuin. Dus bleef ze zitten met een in eau de cologne gedrenkte zakdoek op haar hoofd.
Terwijl wij naar boven klommen.
’t Was mooi. Ver. Weids. We hadden ’t weer mee. Niet zo heiïg.
‘In andere landen kan je vaak verder zien,’ vertelde m’n vader aan m’n vriendin. ‘Maar nu valt ’t hier wel mee.’

Vlak voor we de auto weer in zouden stappen ging ik nog even tegen een boom aan staan.
‘Hé Pa,’ riep ik over m’n schouder, ‘volgens mij is dit dalkruid.’
Hij had de hele dag de namen genoemd. Dit was de 1e die ik hem voor was.
Hij kwam nog even uit de auto. Ik deed m’n gulp dicht & liep met ‘m naar ’t bed onder de volgende boom.
‘’t Zou best kunnen,’ zei hij.
Ik wist ’t zeker. Ik had alle schaduwplanten uit m’n hoofd geleerd.
Hij liep terug naar de auto & haalde uit de achterbak z’n tuinschepje te voorschijn. Een schepje dat 15 cm diep kon gaan, met een harkje aan ’t andere eind. Maar je kon er ook heel handig de drol van de hond mee wegscheppen. Daarom lag-ie daar.

‘Hé, maar Pa, hij is beschermd,’ wist ik van de boeken.
‘Ja, ga jij even kijken of de boswachter er aan komt.’
Hij was zelfs zo netjes om z’n diefstal te verdonkeremanen door er een bosje takken over uit te spreiden.
‘Dit hoeft niemand te weten,’ zei hij.

Ik ben opgegroeid voor galg & rad in Zijperspace.

struik

Struik

Die struik, da’s m’n moeder.
Wat natuurlijk onzin is.
Maar dat was haar bijdrage.

M’n vader had enkele dozen, tassen ook, volgestopt met kluiten plantjes. Kriskras uit z’n eigen tuin gehaald. De schop in de aarde gezet & een vierkant uit een bed plantjes geschept.
Terwijl we ’t te voorschijn haalden, in de lentezon, probeerde hij weer te achterhalen wat ’t ook alweer allemaal was.
‘Weet je wat dit is?’
& Als ik ’t niet wist vertelde hij er iets over. Niet of ’t zon of water nodig had. Nee, wat de naam wilde zeggen. Of waar ’t vroeger voor diende. Of dat ’t straks 2 bloemetjes vlak naast elkaar opleverde, in tegenstelling tot z’n meest nabije soortgenoot.
Verhalen van lang voordat we bestonden vertelde hij.
Je zou zeggen dat een mens zich die toch wel zal blijven herinneren.

M’n moeder kwam met deze struik.
Struikje.
’t Is alweer wat jaren geleden.

Ze is even verdwenen geweest.
Ik dacht: ‘Hé, waar is m’n moeder?’
Om haar een jaar later terug te vinden.
Ik dacht dat zoiets niet mogelijk was met struiken, maar blijkbaar wel.

M’n vader kluiten. M’n moeder een potje. Rechtstreeks uit ’t tuincentrum.
‘Ik had er nog 1tje over,’ zei ze onverbloemd.

Later zag ik ook wat ze met de rest had gedaan.
In hun voortuin had ze een perkje ermee afgeschermd. ’t Was de grens. Dit is tuin, hier tussen ons struiken in; dat is pad.
De achtertuin, daar mocht m’n vader alles laten groeien.

Zo zat hun huwelijk dus in elkaar, bedenk ik me nu.
M’n vader hield de toespraken, met een leuke anekdote er in. M’n moeder zorgde dat er thee & koffie klaar stond. Met een lekker koekje erbij.

Maar daar staat ze nu, die struik. Steeds een stukje groter gegroeid.
Die lichtgroene blaadjes, dat is wat er dit jaar nieuw aan is.
Ik dacht dat-ie niet zou passen, in een tuin zoals ik ‘m wilde hebben. Een beetje zoals m’n vader. Ik heb daar maar niets over tegen m’n moeder gezegd.

Hij overleeft de rest wel van Zijperspace.

wijnruit

Wijnruit

Ik was er van overtuigd dat ’t wijnruit was.
Ik heb ’t ooit als klein plantje gekocht, de naam in m’n hoofd opgeslagen & ’t is er nooit meer uit verdwenen. Zo staat ‘t me bij.

Voor de zekerheid ging ik zoeken. Kijken of wijnruit online leek op wijnruit hier.
Maar hooguit de bladeren. De bloemen horen geel te zijn. Dat is in ieder geval ’t meest in ’t oog springende verschil.

Niet dat ’t er veel toe doet. ’t Was echter wel fijn geweest als ik tegen mezelf kon zeggen dat ik iets wist. Iets van planten. Dat ik hun namen kon onthouden.

Wijnruit, de naam, deed me elke keer aan ‘wijnvlek’ denken. Daardoor bleef ’t me bij. Dacht ik. & Dan dacht ik tegelijkertijd aan ’t meisje dat altijd langs kwam lopen. Met op haar gezicht een grote rode plek.
’t Liep tot over haar oogleden, daalde af bij haar neus, ging door tot in haar nek.
Tegenwoordig zou je automatisch gaan denken aan de slachtoffers van die nieuwjaarsdag in Volendam.
Zij was gewoon een meisje dat ergens in Den Helder woonde. Lang vóór die nieuwjaarsdag. Ik kwam haar wel vaker tegen.

Ik weet nog dat ik verbaasd was dat ik haar op een gegeven moment met een kinderwagen zag lopen.
Ok, ik had haar al een tijdje niet gezien. Maar dat ze iemand had ‘gehad’…
Dat wist ik niet. ’t Was me niet opgevallen.

Haar wijnvlek zat nog steeds op dezelfde plek. Ze had er alleen zorgvuldig wat make-up overheen gesmeerd.
Ik snapte voor ‘t 1st dat zoiets best een goede oplossing kon zijn.
Ik was zo’n jongen die alles onzin vond. & ’t Was zo’n tijd dat meisjes om mij heen daar ‘tzelfde over dachten.

Ik keek. & Keek ook weer niet.
Ik zag haar kinderwagen. Ik zag haar vlek. & Ondertussen liep ik door om te doen waar ik mee bezig was.
Doorlopen, daar zal ik wel mee bezig zijn geweest.
Ik kan me de plek niet meer herinneren waar ik haar over ‘t algemeen tegen kwam.

Ze trok altijd aan haar neus. Ze gaf er een tikje tegenaan.
Dan liep je voorbij & zij had opeens jeuk, of snot hangen ergens achterin.
Ik herkende dat wel, want ik had er zelf ook regelmatig last van. Daardoor gaat je gezicht opzij & heb je wat te doen terwijl iemand tegen je praat of naar je kijkt.
Maar ik keek echt niet. Niet echt.
Vrouwen mogen ook nooit zien dat ik door heb waar hun borsten zitten. Dus kijk ik net alsof ik niet kijk.

Eindelijk was er op een keer een man die naast haar liep. ’t Was klaarlichte dag. Zoals gewoonlijk eigenlijk als ik haar tegenkwam.
Hij was stoer & groot. Had een haltershirt aan. Die mij zou passen als een pyjama.
Zij keek omhoog. Ipv schuin langs mij heen. Wachtend op antwoord van hem. Een guitig lachje richtte ze zijn kant op, ondertussen de kinderwagen voortduwend.

Ze grinnikte, sloeg haar hand om z’n brede sportieve middel & gaf de kinderwagen aan hem over.
Ik liep in tegengestelde richting aan ze voorbij. Ze zorgvuldig niet in de gaten houdend.
We liepen voorbij aan elkaar.
Ik keek nog even terug. Kijken of er nog iets roods van achter in haar blouse verdween.

Om zeker te weten dat alles wat voorbij is ook verdwenen is in Zijperspace.