Boekenkastverlangen (II)

Er hangen hier geen gordijnen. Ik ben overgeleverd aan degenen die hier passeren. Voorkant, achterkant; die heb je hier beiden. De schielijke blik naar binnen is hier een vanzelfsprekendheid, andermans leven een expositie waar iedereen een museumjaarkaart voor heeft mogen ontvangen. Soms blijft men staan om ’t object nader te bestuderen. Dat wordt in streektaal een ‘gesprek’ genoemd. De opgedane impressies zijn een verrijking voor de geest.

Zo voelt ’t althans. Ik als grootsteedse kluizenaar, gordijnen deels toe zolang de tocht naar buiten zich nog niet aangekondigd heeft. In zoverre men over de achtertuin heen naar binnen kan gluren, hun van daarachter, vreemde schimmen die slechts spaarzaam hun bestaan kenbaar maken door flukse acties gerelateerd aan afval dat beter niet binnenshuis kan staan, is men slechts in staat mij voorbij te zien schuiven in vol dagkostuum, bewast, gepoetst & bepoederd, op ’t punt mij te storten in ’t boodschappencircus dat Amsterdam wordt genoemd.

Maar sinds enige tijd heb ik boeken als gluurdersstop pontificaal middenskamers staan. Een kast van 2 meter 30, daarbovenop houten kratten als kunstmatige verlenging richting plafond. Als je mijn gordijnen richting achtertuin & daarmee gepaard gaande -buren de dijkennaam ‘waker’ zou geven, moet deze bijna hermetische sluiting van blikken in de vorm van boeken natuurlijk ‘slaper’ gaan heten. Een stap verder heb ik een 2e dwarse kast geplaatst, nog wat minder ruimte latend indien ik m’n slaapkamer wil bereiken; dromenland nadert daar, de grens bijna voorbij.

Ondertussen komt Jumbo hier voorbij. ’t Geel schijnt naar binnen. Mensen die hun huis niet willen verlaten wonen hier ook. Ze hebben hier ook postbodes, moeten hier volgens mij ook harder werken: geen deuren aan de stoep, elke brievenbus eist post op terwijl in A’dam velen kunnen worden overgeslagen tijdens de 5-daagse gang.
Zouden ze hier ’s mans naam weten zoals ik mijn pakkettenbezorger ken?

Waar ik zelden gerucht van mijn buren hoor, krijg ik hier de zangoefeningen van de ene kant & wat gepruttel & gepruts van de ander te horen: ’t lijkt tijd voor de weekendhobby’s.
Thuis voeren boeken ’t woord.

Maar geenszins hels lawaai in Zijperspace.

Boekenkastverlangen (I)

Ik heb slechts 2 boeken bij me. Waar ik anders 3 hanteer. Voor ’t geval dat ’t niet goed valt in de omgeving waar ik terecht ben gekomen. Of ga komen.
’t Is daarom dat ik boekenkasten heb. De onzekerheid iets niet bij de hand te hebben. De fysieke herinnering. ’t Oog dat wil aanraken in herinnering. Of in vooruitzicht.
Zucht van tijd tekort. De heerlijke mogelijkheid om nog een 2e, 3e leven te kunnen leiden. De bladzijdes wrummelen zich al schijnbaar reeds om beurten omslaand zeer levendig tot toekomstig gelezen.
Wat is mijn favoriete pagina, schiet me te binnen. De voorkant moet ’t vaak afleggen tegen de achterkant, anders ook de titelpagina, of een mogelijk opgenomen dankwoord. & Zelfs de inhoudsopgave blijft ‘m voor, zeker indien ’t niet van een verrassend ontwerp is voorzien.
Ik heb meer van ruggen genoten dan waar de voorkaft voor mogelijke liefde op 1e gezicht is gecreëerd.

Ik heb 5 planken onlangs gekocht, zodat er 5 meter ruimte geschapen kon worden. Meer overzicht aangeschaft, zo kan je ’t ook uitdrukken. Extra ruimte voor groot & idem voor kleiner, waardoor onderwerpen nog iets dichter bij elkaar, logischer gerangschikt ook, kunnen worden. Als een golf van oneindige letters die elkaar vanzelfsprekend horen te volgen. Pak je er een ‘druppel’ uit, lijkt alles ‘tzelfde te blijven, maar dat is omdat je niet beter weet, want de essentie ervan is niet uit den treure genoeg gelezen.

2 Boeken dus hier.
Maar op de wc had ik al spijt van zo weinig. Niet omdat ’t bewuste boek me tegenviel. Geheel integendeel. ’t 1e Hoofdstuk wakkerde verlangen naar meer aan. De vraag of er een boekenwinkel hier in de omtrek zou zijn die lacunes van de opgeroepen boekenkastheimwee zouden kunnen vullen.
Hoewel ’t over de natuur zou moeten gaan, wist de schrijver, terwijl ik op de wc-bril zat, m’n nog maar net verlaten verzameling sterk in gemis te schilderen. Zonder ’t te noemen, vooral door sfeer. & ’t Noemen van kaartenbakken.
Oef, ’t verlangen naar kaartenbakken. Wat ‘jouw’ is, bij elkaar gerangschikt over vele meters planken, voor eens & altijd in essentie kunnen vatten door meerdere volgordes mogelijk te maken. Daar heb je toch idealiter een fysieke kaartenbak voor. Titels uitvouwen zodat meer combinaties mogelijk worden.

De titel is verkeerd, maar wellicht corrigeert zich dat in de komende dagen, hier, een stap verwijderd van ’t werkelijke Zijperspace.

Turkey

M’n hoofd gaat loos van gebrek. Ik heb ‘m slechts kortwijls niet voorzien van medicamenten die dmv versnelling mij zouden moeten voorzien in vertraging. Alles gaat immers te rap tempo hier & ’t enige antidotum is dit te bestrijden door de kwaal zelf toe te dienen. Een slang die z’n staart bijt, dat beeld schiet zichzelf te binnen.

Er hangt een lamp aan mijn plafond die mij plots symbolisch lijkt, hoewel mijn gedachten, hopeloos wanordelijk, niet zijn ontsproten aan waar ’t naar zou kunnen verwijzen, noch naar waar ’t toe gaat leiden. Alles zoeft voorbij, onevenwichtig houvast zoekend als een dronkeman op de reling van een brugleuning zonder spijlen.

De lamp bestaat uit 4 delen: moederlamp plus 3 kinders, afzonderlijk herkenbaar aan ’t formaat & de plek die ’t inneemt in de cirkel van licht die ’t uit moet stralen.
Afkomstig uit de tijd dat ons gezin ontstond. Waarschijnlijk dat ik me er daarom bij gerust voel, misschien dat ik daarom ook daar een vergelijking wil herkennen: de middelste, omringde, gevormd als vrouw, zorgzaam, vriendelijk; de anderen als telgen, op verschillende wijze ontdekkend, iets hoger of lager, verder of minder verwijderd, een enkele schuchter verschuilend voor wat komen moet, een ander hupsend, in ’t schijnbaar luchtledige gevormd, daar: onder mijn plafond.

Ik ben aan ’t zoeken naar betekenis, stop in elke lamp tegenstrijdige vertegenwoordigers van ’t gezin waar ik uit kom, waarbij ’t moederfiguur alles lijkt te overheersen in betekenis. Plus een rechter satelliet in miniatuur daarvan die niet weg durft te kruipen.
Maar aangezien ik uit een gezin van 6 kom zal ik die eveneens met 1 van m’n broers moeten delen. Een tegenhanger, hoewel ook hij niet daadwerkelijk verlaten wilde worden.

Mijn hoofd is ingewikkeld. Hij wankelt. ’t Bonkt van afkickverschijnselen van te lange onthouding van ’t medicament. Ik heb ’t proberen te ondervangen door bier er in te gieten. Dat werkt dagelijks nl, bij routine, bij gewenning. Maar ’t staat nu strak van onrust & onoverzicht.

Ik zie m’n moeders heupen gemoedelijk weerspiegeld aan ’t plafond schijnen, m’n vaders pijp (die hij niet rookte) in weerstandige berusting: niets zeggen behalve waar verontwaardiging de boventoon voert.

U gaat mij niet begrijpen, zoveel weet ik inmiddels. Ik ben in een vermengde delirium van een koortsachtige antidosis die grip probeert te krijgen. Veels te laat. De corona, hoewel nu bijna een week terug ge-anti-vaxt, een 1e poging, hallucineert zich er mateloos op los. Plus vermengd met dat waar ik dagelijks een dosis van krijg toegediend middels minuscule pilletjes.
In ’t midden gelaten of ik daar gebrek aan had.

M’n hoofd bonkt, hoog midden, schielijk pogend een uitweg te vinden tussendoor m’n zicht: m’n neusgaten een uitlaatklep, zo voelt ‘t.

& Tijdens die ogenschijnlijk futiele bevingen besef ik m’n gevoel, na een lange niet te lange dagreis vandaag naar ongewoon, inmiddels ongewend uitstapje, besef ik me dat ik behoefte heb. Ik wil weg van ’t nieuwe, inmiddels saaie normaal. Ik wil een omhelzing. Die lamp hierboven, met alles wat hij betekent, ’t licht waarmee hij mij omarmt, in al z’n dubbele verwijzingen, die lamp moet mij eindelijk koesteren opnieuw.

Maar laat ik nou gewoon zeggen: ik wil die kus.
Ik wil die kus.

De klokken luiden, de echo’s klinken in Zijperspace.

Oneffen

Van kluiven wordt een mens best wel inhalig. Waarbij ik natuurlijk vooral mezelf bedoel & die enkele mensen bij wie ik ‘tzelfde verschijnsel herken. De rest zal wel netjes opgevoed zijn & niet een wijd open muil gereed hebben staan zo gauw de kip in braadvorm, liefst met een bepaalde hoeveelheid bot, wordt aangeboden.
Daarbij dien ik tegenwoordig te zeggen dat ik heus wel bereid ben tot een vega- of veganbestaan over te gaan, maar ik bovenstaande viezigheid dan te veel ga missen. Net als de vieze druipvingers die ontstaan bij een overvolle zak friet, waarbij dat bijvoeglijk naamwoord voornamelijk wordt veroorzaakt door de top van saus.
Ik voel me al hebberig worden bij de gedachte aan ’t plaatje van die maaltijd gelardeerd met een aantal vieze vingers.

Want ’t is dus inhalig- plus hebberigheid bij mij. Er mag geen stukje verloren gaan aan de kluif & elke kruimel dient uit de bodem van de frietzak opgediept te worden, daarbij de zijkant wijsvinger nog even de schijnbaar onzichtbare resten saus (in geval van mayo; voeg een gekleurde saus toe & ’t is makkelijker vinden) van de papieren wanden opvegend onderweg richting mond.
’t Bakje/zakje/bordje zou na mijn gebruik zo voor een nieuwe portie ingezet kunnen worden, was dat niet hoogst onwenselijk in deze van besmetting bevangen corona-era.

’t Verschijnsel doet zich echter ook voor als ik tot volle tevredenheid mezelf een maaltijd heb bereid, liefst in grote hoeveelheden, ter opvulling van m’n vriezer in het kader van de luiigheid die me na zo’n actie dagenlang zal gaan overvallen. Ik vul de bakjes die ik daarvoor gereed heb staan, geef ze zo goed als ’t gaat ieder een evengrote hoeveelheid, want volgende week maandag- moet niet jaloers worden op de enkele dagen later maaltijd & doe net alsof ik niet doorheb dat ik bij ’t scheppen weliswaar eerlijk ben in de evenredige verdeling, maar de pan stiekem vol laat zitten met brokjes, flubbertjes & de wand van de pan liefst ook nog vol etensvocht laat zitten.
M’n vingers zetten ongeduldig hun scheppend werk voort, maar kijken middels mijn ogen al hebberig uit naar ’t likfestijn dat aanstonds gaat beginnen, zogenaamd om bij de afwas ’t water niet te vroeg te bevuilen.

’t Zou anders ook kunnen dat ’t niet aan hebberigheid ligt. Want ook bij ’t snijden van mijn boterhammen (dat heb je met een broodbakmachinebrood) of ’t smeren van de sneetjes, wordt er een grote hoeveelheid oneffenheid gecreëerd, die in al haar kruimeligheid naar mij probeert te lonken.
Ik ben daar minder gevoelig voor als bij de patatkruimels, sausspatjes of kluifflubbers, maar tijdens al die bezigheden die verband houden met ’t hapklaar maken van de broodmaaltijd dirigeren mijn ogen m’n vingers toch van grote kruimels naar gestaag aan kleinere varianten om die om beurten in de mond terecht te laten komen.

Er zullen wel mensen zijn die met graagte willen beweren dat ik te hebberig ben, een orale obsessie heb of misschien wel in een bepaalde fase tijdens mijn kinderdom ben blijven hangen.
Maar ik denk dat ik gewoon moeite heb om te stoppen met dingen die veels te lekker zijn om er uiteindelijk een punt achter te moeten zetten.

Zeker als de talenten van Zijperspace er verantwoordelijk voor zijn geweest.

Vlakervoor

Ik realiseer me, vlak voor slapen gaan, dat ik de drang om te schrijven achter me gelaten heb. ’t Is niet noodzakelijk: ik heb toegelaten dat ik er zonder leven kan.
Terwijl daar rechtsachter, voor de kijkers links, hoog in ’t schijnbaar aanwezig knobbeltje in m’n schedel, iets bezig blijft te zeggen dat zoiets niet mogelijk is. Er spijt zal komen. Routine noodzakelijk.
Links knobbeltje terzelfder hoogte fluistert verslaving aan achterover leunen in een hoge fauteuil van eindelijk verdiende landerigheid. De merites, de miskenning & de tegelijkertijdshalve mislukking die daartoe dwingen.

Ik voel tijdelijk dat m’n verlangen m’n leven schrijvend te verantwoorden, of juist m’n schrijven te verantwoorden door er op te wijzen dat ik een ‘is’ is, z’n doel voorbij is gegaan, m’n paar stappen richting tandenpoets-wc, weg van m’n dagelijkse routine in m’n privé-afsluitcafé achter ’t toetsenbord – wordt die gebruikt voor een zogenaamd hoger streven of juist ’t doolhof van afleiding daarvan? – waardoor ik door datzelfde tegenstrijdige op de vingers wordt getikt (ik heb zojuist een artikel gelezen over hoe Goodreads ervoor kan zorgen dat je er méér naar gaat verlangen een boek uit te hebben, dan te ervaren hoe mooi de vervoering van ’t lezen ooit voor iemand kon zijn) & ik vlak voor de gang door de holte tussen woonkamer & toilet, om de overdag verzamelde viezigheid in mond op te schonen voor een morgenochtend fris begin, dat dat verlangen vervangen is door schuldbewust weten dat juist schrijven mij bevrijd heeft van de noodzaak van andere wasbeurten.

Ik zoek plots de woorden weer. ’t Is te complex om ’t alleen maar te voelen. De wirwar van voor- & achteruitberedenering, slippen, remmend corrigeren, gas geven, achterover tuimelen door de druk van de vooruitgang & tegelijk zoeken naar een parkeerplek die comfortabel & achteraf ook bereikbaar voelt.
Woorden die op zich niet zo ingewikkeld hoeven te klinken, maar vind ze maar eens op de juiste volgorde van oprecht & in de betekenis van ‘mijn’ zelf.

Ik ben de routine beu, maar weet tegelijkertijd dat regelmatigheid, ’t binnenrijm der woorden streelt al typend m’n gemoedsrust, m’n vingers zal behouden voor slepende, versaaiende, vermoeidheidskramp de juiste volgorde der letters te vinden.
De wandelende jood & de nog vroeger door mij gevonden held, misschien wel de oorsprong van een gefingeerde, Odysseus, schieten me te binnen. ’t Zwerven, dwalen, niet weten waar de ziel zich bevindt, een huis van woorden om te laten blijken blij te zijn eindelijk daar opnieuw te zijn aangekomen, maar stom te zijn zolang 1-oog koning is.

De woorden zijn moeilijk, ze bereiken ondoenlijk traag hun voorheen gemakkelijk gevonden tekst. Ze liggen niet op ’t voorheen routineus te bereiken randje van de tong, vertaald door 10 vingertipjes. Ze zijn al vermoeid bij ’t strekken van hun benen tijdens ’t opwarmrondje.

M’n tanden snakken, m’n slaapzin evenzo, naar hun beloofde opschoonbeurt, een wasstraat waar je languit kan liggen & af mag wachten tot de zon schijnt achter de regen die alles gewend is schoon te spoelen richting wonderlicht.

Maar Zijperspace is slechts een woord, waar weliswaar meer uit kan vloeien, de belofte in de naam.

Moes

Hé Moes,
Ik besef me nu pas dat m’n herinnering dat ik je nog op je bed heb zien liggen misschien wel achteraf gecreëerd is. Door wat Quint zei, of Jan. Tante Cor kan ook.
Dat maakt op zich niet zoveel uit natuurlijk: een geheugen wordt ook opgebouwd uit beelden die bij elkaar geconstrueerd worden om ’t totaalbeeld te laten kloppen. ’t Is niet prettig lopen over een pad met gaten & andere oneffenheden.
Maar ’t is zoveel jaren later alsof…
Hoeveel jaren zijn ’t nou?
Ik moet een truc uithalen met te berekenen wanneer ’t voorbij was voor Pa & dat Carel niet snel daarna er plots niet meer was. Ik verzin de omstandigheden erbij waar ik mee te maken had, wie met me meeging naar de begrafenissen, & wat er bij jouw dood daar aan veranderd was. Of veranderen ging.
Dat doe ik met moeite, die lijntjes verbinden: als ik ’t ene touwtje heb, weet ik soms waar en/of hoe ’t volgende er aan vastgeknoopt zit: hun oorzakelijk verband bindt & smeedt weer herinnering. Waarbij jouw lichaam (wanneer ben ik eindelijk je tegen jou gaan zeggen?) steeds terug knippert als levenloos liggend op je bed.
Ik verzin er een al werkende elektrische deken bij, hoewel ik niet eens zeker weet of je die wel gebruikte, een half uur voor de gang naar bed traag op stoom komend om de nachtelijke tocht te veraangenamen.
’t Kan Jan zijn, misschien Quint, die me op de hoogte heeft gesteld. Ik heb Tineke gebeld & plannen voor vertrek gemaakt.
Ook dat zijn logische herinneringen, maar ’t zijn slechts vanzelfsprekende verpakkingen, waar echter de kleur van ’t omhulsel aan ontbreekt. Ik weet niet waar ik ’t huis binnenkwam, wie er was, wanneer ik besloot in ’t computerkamertje te slapen.
De begrafenisondernemer trad binnen. ’t IJsdeken werd onder je neergelegd, ook elektriek, maar tegengesteld doel. Kaarten, foto’s, herinneringen werden om je heen verzameld, voor hen die over de dagen kwamen kijken. Gordijnen toe. Geen buurvrouw of tante meer die je over ’t venster heen op erg vaste slaap kon betrappen.
Ik deed ’t toetsenbord, daar was ik bedreven. Dus naast m’n bed schreef ik de afscheidswoorden voor op de kaart & in de krant.

‘Maar onze hoop zou ’t wel verlengen
Tegen beter weten in tot eeuwig lang.’

’t Is nu enige jaren later alsof ik je beeld weliswaar nog heb, maar alles eromheen zich aan ’t vermisten is.
Wie zou achter inmiddels vervangen gordijnen nu daar wachten tot & of men haar vergat?

Maar hé, Moes, hier spreekt Zijperspace…

Instaspace (LXXXI)

Geel vraagt aandacht, anders slaat ’t je te hard op de bek; subtiele verleiding vergt ’t & ’t idee dat z’n sfeer verre van onnatuurlijk is – met haar, m’n laatste, had ik discussies, veldslagen zelfs, kunnen hebben over wie die pion kon voeren, op weg naar de overwinning, maar ’t aardse in groen & de gekte die onze onderlinge strijd zou kleuren, deed mij gemakkelijk accepteren: m’n wanden zijn 1920-geel, de rest (naast een noodzakelijk goedkoop blauw voor onder de voeten) herbergt mijn persoon in uiteindelijke rust, maar somtijds weet ik dat ook de kleur van wanorde dat bij mij kan bereiken.

Geel gaat niet zonder groen in Zijperspace.
(Foto [in betere kwaliteit, want rottig kopiëren als je je eigen foto’s ergens anders wil plaatsen & ‘t je onmogelijk wordt gemaakt door FB] & tekst eerder geplaatst op Instagram.)

Uitparkeren

Ik heb naast veel vrouwen gezeten terwijl ’t fout ging. Dat was dan meestal met auto’s. Een enkele fiets. Daar gaat de twijfel over ’t algemeen terloops.
De bravoure van mannen hoest zich er overheen. 2 Of 3 keer kuchen ongeveer. Hard schrapende keel vormt dezelfde rekensom van opgelucht verdergaan.

& Sinds ik dat vermaledijde kastje in de hal heb neergezet lijd ik aan dezelfde kwaal: men zou mij niet moeten zien. Gelukkig ben ik voorbij die fase.
Handig zo’n kastje, ik vergeet nog slechts zelden urgente zaken op weg naar buiten. Ik heb ze daar al uitgestald & raak met ze in de knoop. Of ik raak in een kluts waarbij deze me de tijd geeft om naar bevrijdende gedachten te zoeken: er zijn zinniger dingen om me mee bezig te houden dan vloeken op een meubel of een stuur in z’n achteruit.

Terwijl ’t zo soepel kan lopen op weg naar z’n haven, waar hij ’s nachts tot rust kan komen. Je schuift ‘m er recht in & slaat de hoek om als de stuur z’n vrijheid heeft verkregen. Hij voelt veiligheid tijdens de inzet van de bocht na de laatste staander van dat schijnbaar luchtig kastje. Slechts open wanden, waar planken tussen hangen. Slechts enkele zakken, waarvan hij weet dat de inhoud tot broodmaaltijden zal leiden. Op kniehoogte slechts kratten leeggoed, als overkomelijke niemendalletjes van obstakel (waar ‘trapper meets knie’) van rust. Oud papier zo hoog, waar de koplampen nimmer zullen kunnen reiken, ’t ultieme niveau, in zijn fietserslatijn, brabbelt dat stalen ding van mijn.

Ik ben mezelf steeds weer aan ’t uitvinden, op weg naar de volgende tocht. Probeer daarbij te beredeneren dat wat naar binnen gaat, dezelfde weg kan volgen als je de film terug speelt.
(we vroegen m’n vader wel eens daarom, de 8 mm-filmpjes van familie-happenings: alles zag er dan uit als een fout, de klunzige lichaamsbewegeningen als je er over terugdacht & ’t nog zag gebeuren ook, de klunzigste broer won de hoofdprijs van de gemeenschappelijke toekijkerslach, terwijl hij op de heenweg niets fouts leek te hebben gedaan; z’n koksmuts plots een karikatuur waar eerder vertedering klonk)

Ik beredeneer m’n weg naar buiten, zoveel is wel duidelijk, waar eigenlijk ’t proces z’n oplossing zelf al is. Ik zie mezelf de dag ervoor binnentreden, doe wat shots vooruit, waar de fiets de veilige haven heeft bereikt, maar mis daar plots de aansluiting met waar die nog maar net in zicht kwam.
Ik ben aan ’t binnen komen, waar ik naar buiten aan ’t treden zou moeten zijn. Ik ben niet daar waar ik eerder was, slechts mezelf een weg aan ’t wurmen waar ik straks kan zijn.
De hoek mag ‘tzelfde zijn, ’t pad gelijkend, maar je moet bij jezelf toegeven dat er eigenlijk geen ‘achteruit’ bestaat. De tijd staat ’t niet toe.

De koksmuts is een schijnvertoning in Zijperspace & vaders had een knopje voor de lach.

Boekenman & Westmalle

Alleen om de titel te schrijven kost me al moeite. Typen doe ik wel, maar de waarheid vertellen moet ik terug zien te winnen. Een mens deelt zijn leven tenslotte & waar een schijn van waarheid is, daar schuilt die.

Boekenman woont tegenwoordig bij mij in de straat. Voordat hij hier kwam zag ik ‘m ook in zekere zin regelmatig.
‘Hé, Boekenman!’ riep ik in ’t voorbijgaan van ’t metrostation.
Daar stond vroeger de methadonbus. Als ik vroeg op was. Dat was lang voordat hij daar om de hoek een huis kreeg.
‘Lang voordat’ is een mensenleven op junkie-schaal.

‘Nee, ik gebruik niet meer,’ heeft hij zich ooit moeten verontschuldigen.
Hij was een krattendief. Hij had ’t in die tijd voor een kwartje gedaan. Evengoed was ’t beneden z’n waardigheid om groot geld te jatten. Of gewoon niet snel genoeg.
Of te weinig vrienden. Als je die al zo mocht noemen.

Westmalle zei dat zo’n beetje iedereen dood was.
Ik had mezelf geïntroduceerd met: ‘Zo! Leef jij nog!’
In ’t midden van nergens, waar hij voorover gebukt stond met een toestel die wij al meer dan 10 jaar niet meer gebruiken.
‘Wie ben jij dan?’
‘We noemden je altijd de Indiaan,’ reageerde ik.
Z’n favoriete biermerk verzwijgend.
Hij wist even later dat hij een keer voorbij gefietst was & dat ik door ’t raam m’n hand opstak.
Ik zag een beeld uit een 50-er jaren film. Waarin ze dat nog deden.
Maar tegelijk reed hij voorbij op z’n fiets, waar hij daarvoor slechts lopend ging. M’n hand die groette. Van tijden voorbij. & Z’n blik die reflecteerde, maar toch herkende.
Een donkere schijn van voorbij willen gaan.

Ik riep eerder deze week weer, bij mij in de straat, zo vertrouwd: ‘Hé, Boekenman!’
Hij was kwieker, meer bij de tijd, dan ik gewend was.
‘Hé, kerel!’
Alsof hij m’n naam ooit onthouden had. Ik kon ’t ‘m vertellen, maar hij wist ’t slechts te onthouden tot vlak nadat hij ’t bonnetje voor onze broodjes moest overhandigen.
Biertje uit koelkast & weg was de verplichting.
Een knikje in geval van een lange rij, maar ik twijfelde of z’n geheugen zo’n lange tocht kon maken.
Ik was verrast over de snelheid van ‘Hé, kerel!’
Ondanks ’t loslaten van een blijk van werkelijke herkenning die als vermoeden bij mij op de loer lag.

Met Westmalle gaat ’t goed. Hij fotografeert mooie natuur met z’n toestel van 10 jaar geleden.
‘Nee joh!’ klonk ’t als uit een ver maar bekend verleden, ‘Ik ga die smartphones toch nooit meer begrijpen. Ik heb al te veel kapot gemaakt in m’n hoofd.’
& Ik: ‘Haha,’; van: ‘Zoveel is er toch niet veranderd’ om 15 jaar te verdonkeremanen.
‘Joh,’ ging ’t door, m’n gedachten veronachtzamend, ‘ik leef nog. De rest is er immers al niet meer.’

Boekenman was als de dood van hem. Hij had ‘m mensen zien snijden voor de Appie.
Maar hij moest sterk zijn, had Westmalle me ooit verteld.
‘Kijk, je bent in je 1tje. Niemand die je in deze wereld komt helpen. Dan kan je beter helemaal alleen zijn. & Niet doen alsof.’
& Juist de eenzamen die ervoor kozen eenzaam te zijn. Niet door hun vrouw gestoken, kanker overleden, hartstilstand, cel bezweken, anoniem & onbekend gegaan.
Zelfs hun familieleden.

Verhalen die niet bestaan in Zijperspace naast korte, spaarzame vlagen mist.