Zwaartekracht

Soms voel ik dat ik bijna zover ben. Dan is een extra sweater voor comfortabel warm te veel of enigszins te zwaar of schuurt de trilling van m’n oogleden te droog. Ik denk te weten waar de pijnen liggen, ze te duiden, te net niet te mijden, maar er zeg maar mezelf in te leggen, een dompel, een omvatting, een opname tegelijk is nog net niet bereikt.
M’n hoofd is niet leeg, eerder gevuld van vuurvliegjes die een weg wijzen van waar de woorden liggen, de gebruiksaanwijzing voor m’n vingers te vertalen wat tintelt van stilzwijgende opwinding om er uit te mogen. De hond die kwispelt, ’t kattenluikje bepoedeld door de wens om aandacht bij ’t teken ’t huis misschien wel niet te verlaten.

Alles ligt op de overgang, nog enkele druppels & daar komt stroom-over, de voorspelling van een cohesie die vrolijk ’t loslaten vertelt van een olijke waterval van gelijk spetter & sputter. Ik ben er maar ben er nog maar net niet.
De vingers houden de toetsen aan ’t randje vast. Rechtsboven van wijsvinger links de mogelijkheid om de ‘t’ alvast de regen te voorspellen van stampen voor druppels die woest heerlijk een verticaal oprijzend gordijn gaat schapen & linksmidden de ‘d’ van ’t dreunen van hun allen tegelijk op tegels weerketsend om miniatuurtjesfonteinen te spuwen. De ‘e’ de ‘a’ de ‘o’ klaar om verwondering te schreeuwen, de verrassing van ’t nog onbestaand woord.

Zover ben ik nu, alles in lichaam & hoofd in gereedheid om tot aankondiging van een vreugde van woorden te worden die hunzelven tot kluwen verknopen, raaskallend improvisaties verkonden, van niets onmogelijk & ’t stopt pas als ’t zichzelf uiteindelijk tot onweer voorspelt.

Klatsboem, zegt de boom.

& Alice is terug Zijperspace in gelegd.

Tetter

Ik tetter rond. Want ben vol verbazing wat er met me gebeurt.
’t Is alsof ik fiets zonder handen, terwijl mijn vader me de 1e kunsten daarvan toont. & Me tegelijkertijd zonder verbiedt, nee: gebiedt om m’n handen aan ’t stuur te houden.

Ik ben ’t niet die dit allemaal initieert: ’t stormt op me af & ’t enige wat ik kan doen is ’t over me heen te laten komen als een grote golf, liggend in de plots niet meer bestaande eb-zone.
Ik ben een middelpunt. ’t Laat zich zo gevoelen. Men is bezig met mij, terwijl ik voorheen vooral met anderen bezig was. Me afvragend wat ze bewoog, wat ze gingen doen, waarom ze nog steeds bij mij in de buurt waren.
& Ik ze straks weer terugzie met een verslag van wat er is bereikt.

Alleen dat laatste is nog steeds geldig. Wat is de beweegreden dat ik een middelpunt ben: dat men zich bekommert (zonder ’t kommergedeelte van dat woord als negatief te beoordelen).

Tegelijkertijd heb ik er geen grip op. Er zijn dingen uit mijn handen genomen, omdat ik ze niet kan. M’n hoofd slaat op hol, m’n spierkracht van dingen doen is weg, ’t wordt tijd voor ingrijpen door anderen.
Niet ontmand, niet gehandicapt, niet definitief uitgeschakeld. Eerder lichtelijk onnozel, onbeholpen, & nogmaals meermaals on-, zonder de verschrikkelijke negatieve talige betekenis daarvan.
Tijdelijk uitgeschakeld. Zoals een mens kan zijn.

Mijn geluk is dat ik ’t kan vertellen. Dat ik bedreven ben m’n toetsen te roeren. Daardoor vraagtekens in hoofden kan doen vermisten & na die morgenstond van vage kennis klaarlichte dag kan tonen door mijn verhalen te vertellen.
Ik heb woorden.
Veel.
& Als ik blijf ‘praten’, komt er vanzelf betekenis.

Van losse eindjes knoopt men vangnetten in Zijperspace.

Snoer

De voortgang hangt af van een snoer. Zo doet mijn hoofd na allerlei afwegingen vermoeden. Waarbij ik daar onmiddellijk aan moet toevoegen dat genoemd hoofd geneigd is zich te laten sturen door als de onbetrouwbare golfslag aan een zandkust voordoende luimen.

Ik heb me ongemerkt laten verleiden zo min mogelijk zelf te onthouden. Volledig overgeleverd leef ik, wandel ik, adem ik voort, voorzien van die paardenmaskers die de gebruikers moeten verhoeden extra informatie uit de omgeving te halen. Zodat er geen afleiding is, geen extra bagage, er vederlicht van onwetendheid alleen nog maar vooruitgegaan kan worden.
Dus heb ik geen routes meer opgeslagen, ligt er geen plattegrond gereed voor gebruik in m’n hoofd klaar, zijn de mensen weliswaar geen telefoonnummers meer, maar zonder dat snoer zijn ze ook niet meer oproepbaar.

Help me eens, kan ik nu fluisteren, misschien wel schreeuwen, & niemand die toestroomt of een vanzelfsprekend eenvoudig advies suggereert.
Zo dadelijk, als mijn telefoon geen puf meer heeft om de informatie van de berichtenservice door te sluizen, bij gebrek aan snoer, zal men zich slechts verwonderen dat Ton’s handen even niet bereid zijn vingervlug over toetsen te scheuren om te laten weten dat hun heer nog bestaat & woorden op hun beeldscherm praat.
Ik heb ‘m in veilige quarantaine gelegd, men zou bijna zeggen; een maatregel van deze tijd, zodat-ie niet voortijdig, voordat al ’t noodzakelijke gecommuniceerd is, z’n laatste adem blaast.

Ik ben onthand, besef ik me. Ik kan nog kijken wat de wereld doet. Ik ben in staat me er in te bewegen. Maar zo gauw de klok slaat dat ’t laatste beetje energie verbruikt is, wordt een gesprek lastig. Geen mogelijkheid meer om te zeggen dat dit wenselijk is, buiten dat blijft elke zucht of desnoods luide schreeuw ongehoord.

Er waren daarstraks nog 19 streepjes te gaan, maar terwijl dit slepende typen, gestoord door allerlei overpeinzingen waar ik straks in alle opgelegde stilte me zal bevinden

Spreek uw boodschap voor Zijperspace in na de piep…
Piep.

Instaspaced (LXXV)

Ik heb al eens eerder geschreven dat men ’t woord ‘gewoon’ & natuurlijk ook ‘gewone’ af zou moeten schaffen als duiding van soorten: ’t bijzondere wordt ’t organisme ontnomen & er wordt een overdaad aan als algemeen te beleven saaiheid aan z’n bestaan toegevoegd; hoewel je zou denken dat als iets groot is ’t vanzelf de aandacht trekt, is ook dit zo’n benaming die zorgt voor een onbewuste versaaiïng- je schakelt een nieuwsgierigheid uit naar een aspect van ’t organisme als ’t de omschrijving ‘groot’ al als 1e deel van z’n benaming heeft gekregen, terwijl nadere bestudering van ’t fenomeen tot grotere verrassingen had kunnen zorgen.

Alles wat gedoemd is groot te zijn, zal iel eindigen in Zijperspace.
(Foto [in betere kwaliteit, want rottig kopiëren als je je eigen foto’s ergens anders wil plaatsen & ‘t je onmogelijk wordt gemaakt door FB] & tekst eerder geplaatst op Instagram.)

J.

Je hoeft me niet te condoleren. Ze was geen vriendin van me.
Ze werd 49. Ik leerde haar kennen toen ze ong 17 was.

’t Was een rockabilly-feestje. Drie deuren verder zal ’t ong zijn geweest. In een flat van 3 etages die je in Amsterdam niet zo’n naam zou geven.
Zij was met een rockabilly, dus was zij dat ook in die tijd.

Maar ik had geen aandacht voor haar. Ik had aandacht voor degene met wie ik een paar dagen ervoor ’t bed had gedeeld.
Iedereen kende iedereen, zou elkaar nog een paar jaar blijven kennen, maar rockabilly was niet echt mijn ding. Feestjes met gratis drank wel. Toen ik daar genoeg van binnen had, kreeg ik m’n zin & kon ik weer enkele deuren terug.

Wonend in Amsterdam kwam ik vaak voor speciale gelegenheden terug. 1st Voor m’n weekendbaantje in de bieb, later voor werken achter de bar ook. Daarna moesten ’t familie-aangelegenheden zijn, want geen ov-kaart meer. Na afloop daarvan dan evengoed naar dezelfde bar. Iedereen wist nog wie ik was. Dat kon ook niet anders. We waren in Den Helder.
Dan zou ik laat in de nacht dronken in m’n bed op zolder struikelen. Evengoed onderweg daarheen de kraaktredes van de trap proberen ontwijken. Maar m’n immer waakzame, bezorgde moeder bedotte je niet.

Maar die nacht kwam ik niet. ’t Rockabilly-meisje dat goth-dame was geworden, vrijgezel ook, had ik gezegd dat als ik bij sluitingstijd in een Helderse kroeg was wel met een vrouw naar bed wilde.
& Zo geschiedde. ’t Was immers sluitingstijd. & Ik weet niet of iemand zei dat dat goed was.

Enkele maanden later stond ze bij mij aan de bar waar ik al enige tijd werkte.
‘Ik woon nu ook in Amsterdam,’ zei ze.
‘O?’, reageerde ik. ‘Maar wil je ook iets bestellen?’

Bij de 2e keer ging de volgorde van de conversatie al anders. Ze bestelde 1st. & Ging toen vertellen hoe ’t met haar ging.
‘Ja, zie je, ik kom net uit ’t ziekenhuis.’
Een soortement hum volgde mijnerzijds.
”t Kind is verwijderd,’ vervolgde ze. ‘Ze hebben ’t kind van jou er uit gehaald. ’t Kon niet blijven leven.’

Ze heeft nog meer gezegd. Ik heb haar gevraagd of ze dat niet aan de bar wilde vertellen. We hebben na sluit kort gepraat.
& Ik heb m’n broer gebeld.
‘Man,’ zei hij, ‘ze heeft de hele tijd schijnzwangerschappen. Dit is minstens de 3e in een paar maanden tijd dan. Ze nemen haar niet meer serieus in ’t ziekenhuis.’
Den Helder was nog steeds klein, zo bleek. Iedereen kent iedereen.

Ik heb er een oplossing voor gevonden. Haar gezegd dat ik ’t niet geloofde. Dat ze wel mocht komen, maar daar niet over moest praten in ’t midden van de tent.
Waarna ze met andere verhalen kwam. Een nieuwe vriend. Ze zou emigreren. Een fantastische nieuwe baan. En ik zag dat ze anderen ook haar verhalen vertelde.
Ik weet niet of ik daar onderdeel van was. Maar ik vermoedde van wel, vooral toen een vaste klant zei dat ze wist dat ik niet deugde.

Ze heeft me waarschijnlijk wel verteld dat ze terug naar Den Helder is gegaan. Na vele jaren. Maar ik heb ’t niet geregistreerd. Dat ze een nieuwe vriend had daar, heb ik ook niet echt opgeslagen.

Maar ze is vandaag overleden. Dat zal wel echt gebeurd zijn.

Bravoure is niets waard in Zijperspace.

Aankloppen

Ik heb ’t vanavond maar eens niet gedaan. Hoewel me toegefluisterd werd (’t werd niet verstaan, maar de boodschap kwam wel over) dat ik ook om de hoek even aan kon kloppen.
Maar nee, ik wilde niet weer 4 uur lang opgesloten zitten, gemummificeerd in paralyse van berustende angst. Een afweermechanisme om vooral niets te voelen van wat er allemaal gebeurt, gaat gebeuren of reeds voorbij is.

Ik woon in de buurt van ’t Oosterpark, Amsterdam. Daar deed ik vanochtend & vroeg in de middag nog ommetjes. Onderwijl toch eens onderzoeken wat voor meestentijds onbekend leven er zich nog meer voordoet.
Voor dat laatste krijg je geen punten. Voor iets meer versneld lantefanteren wel. Dat is: zwierend met je armen, glimlach schouderlangs gezelschap, op die behoorlijk bezette paden nu de pauze een vlucht uit huizen, gebouwen, mogelijk maakt, toch ootmoedig wisperend richting de welkome lunchpartner, die net als jij pas begint te eten als thuis hervonden is; zo vindt de hedendaagse uitbraak dagelijks plaats.

& Ik voel de blikken branden terwijl ik te langzaam in vaart de korstmossen, nog meer verstild, van de bomen m’n camera in peuter. Zodat ik weet hoe ze heten. Want als ze geen naam hebben, dan heb je niets om aan te refereren, bestaat eigenlijk de beleving niet.

Ik heb er nu 3 keer gelegen & ben 3 keer voor niets weer weggestuurd. Ik was nog niet klaar voor ’t ledige. & Er was iets soortgelijks evenmin te vinden.
’t Zou wel een spiertje zijn, zeiden ze al bij de 1e keer. Maar wilden ze die onverlaat vinden, dan zouden ze de borstkas moeten openen. ’t Resultaat zou niet beantwoorden aan ’t risico van afwachten van wat misschien wel niet erger was.

In ’t OLVG heb ik nooit gelegen, hoewel om de hoek. Vanuit de praktijk van m’n huisarts werd ik mild verwijtend tot 2 maal toe richting AMC getransporteerd. Grapjes makend met ’t ambulance-personeel dat 2 keer per jaar zich traditioneel bezopen kwamen zuipen bij mij aan de bar.
De volgende ochtend een flink ommetje, voordat ’t mode was, gemaakt om de fiets naar zijn parkeerplek terug in de gang van m’n huis te brengen.
& In Nijmegen werd me op ’t hart gedrukt, hoe ironisch uitdrukkingen kunnen zijn, dat ik nooit meer door druk verkeer zelf een poging mocht nemen ’t ziekenhuis te bereiken.
Hoewel ik ‘onverrichter zake’ terug mocht keren na enkele uren lethargie.

Ik voel dat spiertje weer. Ik laat ‘m voelen. ’t Moet maar eens tot me doordringen dat-ie bij me hoort. Hij is ’t sterretje voor de kinders vroeg op oudjaarsavond, om hun straks slapendstil liggend te laten wennen aan ’t grote werk.

’t Wordt tijd dat ze dat laatste afschaffen in Zijperspace.

Achtergelaten

Ik leg m’n sjaal opzij, ergens waarvan je in zo’n situatie dan weet dat-ie straks dermate in de weg ligt dat je ‘m wél op moet ruimen. ’t Is gedaan, ’t is voorbij, hij is niet meer nodig.
Voorlopig.
Want dit is een klein ‘voorbij’.

Toen Pam ’t uitmaakte, ben ik naar Stella gegaan. Ik heb haar ’t verhaal verteld. We hebben elkaar, nee: zij heeft mij omarmd, & we hebben zachtjes heen & op & schouder neer, voetje opzij geschommeld.
De tranen kwamen wel. Maar ik wist gelijk dat dit de beste genezing was.

& Momenteel, of eigenlijk is ’t al gebeurd, is m’n huis op z’n kop gezet. Extra boekenkast betekent dat veel herschikt moet worden. & Alles herschikt betekent dat niet alles past in hoe ’t voegt in wat nog steeds zo is als ooit was.

’t Kussen achter m’n hoofd als ik op de bank boeken lees, dat kussen gesteund door shirts die wachten op hun beurt aangetrokken te worden. Een rare gewoonte, maar dat is zo gegroeid, & wat zich voegt in de omgeving, dat veeg je niet zomaar weg.
Maar dat kussen dus, met de shirt-ondersteuning, was afhankelijk van een krat met natuurtijdschriften, tegelijk met een groeiende stapel boeken daar bovenop.
Die vielen dus weg door die herschikking; de vermiste shirts die ooit onzichtbaar, maar nu opeens zichtbaar waren geworden, vonden geen steun. & Ik kreeg pijn in m’n nek of was meer druk bezig m’n hoofd in de juiste maar niet te vinden positie proberen te manoeuvreren dan dat ik las.

Ik heb moeite met dat alles ‘gaat’.
’t Hoort te blijven kleven. Alsof lichaamseigen. Dat denken mijn hersenen dan. Waar m’n lichaam misschien minder moeite heeft.
Voorbeeld: ’t kussen.
& Waar vrouwen, meisjes toen, me niet meer willen hebben. ’t Kon weken, misschien maandenlang dreinen, niet ’t fysieke, niet de aanwezigheid, vooral ’t idee dat de gevoelens weg moesten zijn.
Soms lukte dat toch.
Pam.

Ach, die sjaal, die sneeuw. Ik wilde vooral binnen zijn omdat alles verborgen was & ik toch niet ’t bos inging.
Wat ik mis is de sneeuw recht in m’n bek. Dat kwetsen van kou, dat maakt heimwee naar de jeugd van opgewassen zijn tegen sneeuwstorm.
Ik weet dat daar een voorbij in zit van straks strammer worden & tastende schoenen die als blinden tegen doven de voeten proberen te vertellen waar te gaan.

Wat ik daadwerkelijk mis is de reden om op ’t toetsenbord te rammen. De snelle vergetelheid van wat overdag gebeurd is stremt de toevloed van woorden richting ’t beeldscherm hier voor me. ’t Gemis aan beelden hoe ’t eens was & wat daar de reden voor was.
Ik kan ’t verzinnen, maar daar krijg ik ’t niet mee terug.

Verhaal nooit compleet in Zijperspace…

Cursus Lijfloggen, Deel 16

‘Dames en heren, jongens en meisjes, de bibliotheek gaat sluiten. Wil iedereen de boeken en andere materialen laten registreren.’

Dat mocht ik tien jaar lang op zaterdagmiddag door de intercom aankondigen. Het eind van onze werkdag naderde, de klanten dienden het pand te verlaten, zodat wij de boel aan kant konden maken en de boeken uiteindelijk weer op hun plek kwamen te staan waar zij maandag het makkelijkst terug te vinden zouden zijn.

Ik legde mijn stem in de microfoon. Ik had een radiopresentator op tv horen vertellen dat hij dat altijd op die manier deed. Hij was de man die introducties op bepaalde programma’s voorlas, of vooraankondigingen insprak: teasers. Met zware dictie. Je voelde hem door het hele huis weerklinken als zijn stem sprak.
Je moest de trilling in het apparaat voelen, zei de presentator. Als je dat niet kon, dan was je er niet geschikt voor.
Ik voelde de trilling die mijn stem veroorzaakte. Mijn vrouwelijke collega’s ook.
‘Oh, Ton,’ klonk Hannie tussen de studieboeken vandaan, op het moment dat alle ‘lezers’ de bieb hadden verlaten, ‘ik werd helemaal warm van binnen toen ik jouw donkerbruine stem hoorde. Ik moest me gewoon even vasthouden aan een boekenkast.’
Ik had die dag extra mijn best gedaan de mededeling zo laag mogelijk door de schappen vol leesvoer te laten vibreren. De uitzending van het interview met de radiopresentator had ik net de week ervoor gezien.
Ik had er weer een held bij. Of een vorige werd vervangen. Ik hoefde niet meer zo ‘cool’ te kijken als Kwai Chang Cain van ‘Kung Fu’, want ik wist dat mijn stem verdergaande gevolgen zou hebben. De koele Kwai Chang Cain-blik had gediend om mannelijke leeftijdgenoten angst in te boezemen, of in ieder geval respect af te dwingen op ‘t schoolplein; de donkerbruine uitvoering van mijn stem kon tot effect hebben dat een ander deel van de bevolking hun gedrag aanpaste ten gunste van mij. Ik was op die leeftijd gekomen dat dit mij beter uitkwam.

Zodoende kwam ik er achter dat ik met mijn stem mensen kon manipuleren. Zonder argumenten, zonder uiteenzettingen, slechts met een enkel zinnetje, getoonzet op een voor anderen gevoelige hoogte. Of laagte, moet ik zeggen. De baard in mijn keel had in mijn puberteit de mogelijkheid geschapen mijn stem met een zwaar timbre aan te dikken, die ik kon gebruiken om mensen die voor die toonsoort gevoelig waren naar mijn hand te zetten.

‘Goedendag. Met Zijp,’ zei mijn vader altijd door de telefoon.
Waarbij hij bij zijn achternaam naar de laagste registers van zijn stem gleed.

Ik wist hem perfect te imiteren vanaf het moment dat mijn reeds genoemde baard verdwenen was. Waarop mensen aan de andere kant van de lijn de zielenroerselen die eigenlijk voor mijn vader bestemd waren tegen mij begonnen uiteen te zetten. Zo gauw ik merkte dat het geen zin had met die informatie opgescheept te raken probeerde ik het relaas te interrumperen, om duidelijk te maken dat ze mij voor een ander lid van de familie hielden. Ik liet daarbij mijn stem wat hoger klinken. Anders konden ze somtijds blíjven doorgaan, ongeïnteresseerd in wat mijn vader over hun zaak te zeggen had.
Ik kon er wel eens wat aan hebben, had ik ondervonden, aan zo’n ontboezeming bestemd voor mijn vader, om alvast op de hoogte te raken van wat één van mijn docenten tegenover mijn ouders over mijn gedrag te zeggen had, voordat dit in familiegesprekken ter sprake zou komen. Mijn ervaring was dat leraren over mij altijd iets anders te melden hadden richting het opvoedende gezag dan dat zij mij tijdens de lessen probeerden duidelijk te maken. Vreemd genoeg zag mijn vader dat nou juist tegengesteld: ik zou de docenten iets anders toegevoegd hebben dan dat ik thuis daarover rapporteerde. Het was daarom zaak te profiteren van onze gelijkende telefoonstem.

Een mens heeft vele manieren om van z’n stem te kunnen profiteren, maar voornaamste functie blijft dat hetgeen van binnen beleefd wordt grotendeels door middel van dat gereedschap expliciet wordt gemaakt. Een mens is talig, ventileert een groot deel van zijn gevoelens en meningen dankzij de voortbrengselen van zijn spraakorgaan en weet mogelijk daardoor een ander persoon zich naar zijn beweringen te doen overgaan. Het hoeft niet altijd manipulatief zoals hierboven omschreven, maar het feit blijft staan dat degene die zijn mond houdt weinig invloed op de gang van zaken zal hebben.

Huiswerk: Stem! Laat uw mening horen. Of voeg u anders in uw zelfverkozen lot van stilzwijgende toeschouwer.

(Deel 0 staat hier, als introductie op wat ik 50 afleveringen lang heb volgehouden te schrijven voor ‘t weblogmagazine about:blank, maar verloren werd gewaand. Dl 1, Dl 3  [daar kan je ook lezen wat er aan de hand is met Dl 2], Dl 4, Dl 5, Dl 6, Dl 7, Dl 8, Dl 9, Dl 10, Dl 11, Dl 12, Dl 13, Dl 14 & Dl 15 zijn reeds herverschenen alhier. De komende tijd zal ik de rest van ‘t materiaal dat ik ondertussen geheel heb teruggevonden alsnog hier gaan publiceren.)

Instaspaced (LXXIV)


Af & toe ben ik ze dankbaar, hoewel ik dat niet moet overdrijven: ze zijn er omdat ze er zijn, net als ik, al ben ik er wellicht iets meer van bewust, maar ook daar mogen twijfels bij geuit worden – maar… ze zorgen ervoor dat ik me besef dat ik regels mag overtreden, iets minder in ’t juiste perspectief plaatsen, te veel of iets minder licht, net niet rechttoe rechtaan, want ik bepaal vandaag wat juist is, hoe m’n muts staat, met hun goedkeuring, want zij vinden alles best; ze hebben nog wel een tijdje om te zien of anders ook kan & dan leggen ze zich neer & wachten op enig resultaat, niet meer.

Men zal snel hen snel volgen in Zijperspace.
(Foto [in betere kwaliteit, want rottig kopiëren als je je eigen foto’s ergens anders wil plaatsen & ‘t je onmogelijk wordt gemaakt door FB] & tekst eerder geplaatst op Instagram.)

Ommetjes

Ik doe aan ommetjes. Dat kan een mens beter eerlijk bekennen. Zeker als je ’t vooral doet om de punten, er geen probleem mee hebt vals te spelen om die te halen & er bovendien profijt van trekt.

Patrick kwam er mee aan in de app-groep (een woord waarvan je over 10 jaar denkt: ‘Pff, waar waren we mee bezig?’, waarbij dan waarschijnlijk ook genoteerd moet worden dat tegen die tijd ’t woord ‘ommetje’ een andere lading heeft gekregen dan tot op heden).
We (dat heet ‘ons team’, die elkaar ondertussen beconcurreert & belazert om vooral de beste van de club te zijn) hadden er al over gehoord & gelezen & wisten dat ’t een rage was.
Maar ondanks mijn ingebakken anti-hype-instelling ging ik mee.

Gister leek ik achter een vrouw aan te lopen, hoewel ik haar 500 m eerder had ingehaald. Ze stond echter plots bij een zij-ingang van ’t Oosterpark kort met iemand te praten & stopte daarmee vlak voor ik haar opnieuw kon passeren. ’t Was vreemd te constateren dat ze nu opeens sneller dan mij liep & telkens ’t pad koos waar ik ook wilde gaan.
Dat zet een mens aan ’t denken. Achter vrouwen aan lopen, daar moet je eigenlijk wel een reden voor hebben.
Aangezien ik daar geen logische verklaring voor zag, bedacht ik dat ze ook bezig was om punten te scoren. Mensen die ommetjes doen, lopen andere routes dan mensen met een ander doel & komen zo elkaar tegen. Of lopen onbedoeld achter elkaar aan.

Ik ga straten in waar ik anders nooit kom. De straatnamen probeer ik op te slaan. Wie weet heb ik daar nog iets aan.
Want alles kan efficiënter dan zoals ik m’n leven tot nu toe leid, bedenk ik mezelf dan bestraffend toe. De hersenweetjes die je met de app krijgt voorgeschoteld, de wetenschap dat je gezond bezig bent, daar moet nog een nuttigheidslapje aan gehangen worden. In dit geval straatnamen, die mijn 56-jarig lichaam al ras weer verlaten. Maar je moet je hersens bezig houden om ’t verlaten te vertragen.
Dat weetje nog niet gekregen als beloning voor 20 min wandelen.

De gedachten zijn anders tijdens de wandeling, is me opgevallen. Net zo onnozel waarschijnlijk, maar ze lijken vaak over andere onderwerpen te gaan dan voorheen.
Waarom bepaalde mensen wel hun stoep ontdoen van gladde sneeuw, maar waar de verklaring ligt dat hier in ’t stadse dat er slechts weinigen zijn. Men is deel van de massa & wil er met een sneeuwschuiver of schep niet uitspringen.
Of hoe een lekke regenpijp opeens opvalt nu ’t vriest.
& Als je naar de deuren kijkt die je passeert, gaat ’t opvallen hoeveel mensen defecte deurbellen hebben, vanwege opgeplakte zinnetjes als: ‘Bel defect: kloppen ajb’.

Dat soort onbenulligheden constateren is om je hersens op te ruimen. Dat weet Meneer Scherder van de Ommetjes-app waarschijnlijk ook wel, maar ik heb ook dat hersenweetje nog niet weten te scoren, als die er al tussen gestopt is.
’t Functioneert waarschijnlijk net als dromen tijdens slaap. Alle verbindingen in je hersenen worden even nagelopen, waarbij de boel een beetje opgeschoond wordt & zodoende beter gaat werken.
Dat is natuurlijk ook iets dat ik bedacht heb terwijl ik onderweg was. Had ik even geen aandacht voor passerende voordeuren.

Ik moet nu wel op een bepaald tijdstip opgestaan zijn. Elke ochtend sinds ik begon te ommeren gaat de wekker om 8.15. Snel alle pillen slikken, neus poederen, ogen druppelen & winterwarme kleren aan. Thee als ik last heb van naweeën van ’t snurken: een droge keel, die overigens ook veroorzaakt kan zijn door ’t laatste biertje.

Dan kom ik vlak na 9-en thuis. & Heb ik nog een hele dag met een lichaam die bereid is om dingen te doen.
Dus voer ik vogels, ruim ik wél sneeuw, neem een nieuwe mobiele telefoonprovider, neem contact met de verhuurder op om te zeggen dat ondanks corona er wel reparaties moeten plaatsvinden.

& Tijdens ’t middagommetje kijk ik of er weer een vrouw is die expres voor me uit loopt.

Maar niet elke ommetje is ‘tzelfde in Zijperspace, ook al lijken ze wel.