Omgeknoopt

Morgen is m’n laatste dag. Ik ben ’t na al die jaren wel verplicht ’t aan te kondigen. Hoewel ik dus al 2 jaar op non-actief sta. Omdat ik ’t niet kan, omdat ik ergens over m’n grens heen ben gegaan.

Dus doe ik morgen wat ik afgelopen 2 jaar heb gedaan om te zorgen dat ik verder kom: niet werken. Zoals dat heet.
Maar ik hoef inmiddels niet níet te werken om te voelen wat er scheef zit. Ik hoef maar een beetje ’t idee krijgen dat ik hard m’n best gedaan heb om te voelen dat ik íets gedaan heb, & dat voelen wordt vervolgens een blokkade om tot ook maar íets te komen.
Alsof je de steeplechase 200 m hebt afgelegd, wonderbaarlijk niet bent gestruikeld, maar je lichaam. Je lichaam.
Voorovergebogen lijkt ’t zich te gevoelen.

Verder kom ik vaak niet in pogingen tot omschrijving van wat ik voel. ’t Is een gevangen zijn in een band, borsthoogte, zonder benauwdheid, maar wel met al ’t andere dat beklemt & bovendien transpireert zonder druppels.
Ik zit gevangen dan, in een lijf dat buiten z’n eigen borstkas weliswaar geen tralies voelt, maar evengoed fijngeknepen lijkt te worden.
Ik heb in m’n leven wel last gehad van hyperventilatie, maar omdat mijn lichaam die kennis in zich herbergt, lijkt dit er niet op. Want wat heeft ’t er aan als ’t zo gemakkelijk valt te herleiden?
Kennis daarover lijkt ’t begin van de bestrijding.

Ik ben ’t bos ingegaan. Mijn best mogelijke remedie.
Maar waar ik aldoor mijn trucs kon inzetten om de valse aanvallen te ontduiken, weet ’t me, zelf ook getraind inmiddels, toch te vinden. ’t Vormt zich naar talloze voorbijgangers & de daarmee gepaard gaande afwezigheid van rust.
Ik voel 1st hun stemmen, maar als ik een tijdje concentratie, ’t verdiepen in m’n vondsten in de natuur, veins, weten hun blikken mij als priemende lasso’s zich naar hen toe te trekken.

Tot een kind z’n stem laat klinken, zoet zacht van op een afstand waar z’n stem nog niet vandaan reiken kan, & bij herhaling blijkt te vragen wat ik zoek.
We zijn in ’t donkere gedeelte, waar de eiken, hoewel ontdaan van hun bladeren, nog talrijk verzameld staan aan levende zowel als dode stammen, zodat stemmen zo sierlijk onschuldig nog makkelijk verloren gaan.
Wat ik zoek?

Ik wijs ‘m op de witte vlekken aan ’t dode, ontschorsende hout, waar ik deels schuld aan heb om te kunnen zien wat er anders is aan de wereld dan wat in 1e instantie slechts aan de oppervlakte aanwezig.
‘Je mag wel even komen kijken,’ nodig ik ‘m uit.
Z’n vader neemt de aanmoediging van ‘m over. Z’n bierflesje uit ’t beeld wegmoffelend. Even later blijkt dat een aanleiding om te bekennen dat hij me van mijn werk (‘Dat eindigt na morgen,’ wordt onge-echo’t genegeerd) kent.

Ik vertel over kaas- & tandzwammetjes. Laat een eikentrilzwam zien plus een foto van de zojuist gevonden kever in net zulk dood hout.
& Terwijl ik praat over wat leeft in of ten koste van wat al overleden is, knoopt ’t jochie in zijn verlegenheid een jong takje om ’t dunne stammetje van waar ’t vandaan komt.

‘Kijk, die groeit om zichzelf heen,’ prijst hij zijn zelf gecreëerde vondst.
Vader zegt: ‘Dan moeten we daar straks over 2 maanden daar weer naar komen kijken. Hoe ’t om zichzelf heen groter & dikker is geworden.’
& Ik ga na die woorden weer verder naar dingen waar ik zelf nog geen weet van heb.

Maar ik gebruik andere woorden, want anders snapt-ie niets van Zijperspace.

4 Antwoorden op “Omgeknoopt”

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *