Tuin (IV)

We verzamelen op de tuin, zo lijkt ‘t. Weg van de bewoonde wereld. Weliswaar nog midden in de wereld, de voetbal- & hockeyvelden omsluiten ons, maar komend weekend zijn dat ook geluiden uit ’t verleden van voor Corona.

Tineke heeft een vriendin geholpen een caravan te ontruimen. Zo 1tje die eeuwig verblijfplaats heeft, al 50 jaar lang.
Had, want moeder is overleden. Die was verantwoordelijk voor de contributie. Dus een hoop moest weggegooid of anders richting ons. Een uurtje rijden met een stationwagen (ik hoor mensen nog zelden dat woord gebruiken; ben ik van de leeftijd van toen mijn vader groot was & zijn gebruik van woorden een spoor van toen?), een aanhanger er achter bungelend.

Dus staat de tuin vol van verlangen naar lente/zomer, zoals een picknicktafel van 4 personen eromheen gekruld; een bidstoeltje (’t knielplankje ontbreekt) waar potten op kunnen rusten & korte klimmers hun ranken langs de leuning kunnen krommen; gasflessen voor de kachel zolang we nog niet zo ver zijn & ons toch kunnen warmen met ons eindedagsbier.

Hoewel we nog geen zomerse ervaring hebben, denken we dat we al weten hoe dat straks moet, of zal gaan, als er elke dag wel iemand langs zwerft, de tuin oploopt voor een kort gedag die uitloopt tot thee, koffie, bier.
We hoeden ons alvast daarvoor, maar weten dat we zullen toegeven uit genot van dit is ons tuin.

Ik droom stilletjes van m’n laptop met genoeg mogelijkheid tot dataverkeer voor middagen in ’t huisje, teksten schrijvend als er serene stilte om mij waart. Afgewisseld met kriebelbeestjachtpartijen met fototoestel & ander vangmateriaal om te ontdekken wat met ons leeft.

Nu is ’t een last resort. Niemand aanwezig naast buurman Ron. Wij voelen ons veilig, in de kou, onze vingers krullen in de trui die ons flesje houdt.

Later denken we dan dat dát dus Zijperspace was, tot op ’t bot.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *