Guus

Ik was alvast klaar gaan staan. Voor ’t bijtijds bereiken van de Frederik Müller Akademie (inmiddels de juiste interpunctie van die naam kwijt na al die jaren) diende ik zsm de trein uit te stappen, de trappen af te denderen, & de trams over te slaan. Tenzij er 1 vlak voor m’n neus dreigde te vertrekken & ik een halte minder hoefde te lopen.
Dat betekende dan nog een peukje met andere late arriveerders vlak voor de massieve deur, daar aan de Herengracht.

Dus veel te vroeg stond ik in ’t treinportaal. Kan ik dat zo noemen? In de hal naar buiten voor als de deuren open schuiven.
& Op de klapstoel, benevens de deuren aan de uitstapkant, zat hij bescheiden schuin omhoog te kijken naar de mensen met wie hij schijnbaar converseerde.

Ik herkende ‘m aan ’t hangend ooglid aan linker- dan wel rechterzijde. Indertijd had ik dat meteen kunnen duiden, zijn foto stond tenslotte op menig achterkant van zijn boeken, maar terug in m’n geheugen puttend wil ’t beeld me niet meer passen, links of rechts.
Maar goed, ook toen spiegelde men wel eens foto’s, bij portretten vooral, omdat dat effect soms een beter resultaat geeft bij de kijker. Verwarring alom in levende lijve, een lezing, een interview op tv, een ontmoeting als deze, in ’t voorportaal van bestemming.

Ze vroegen hem, de enkele mensen om hem heen die al helemaal geen zitplaats in deze drukke trein hadden kunnen vinden & hem gedienstig lieten zitten; zij jonger, hij duidelijk geleefder – ze vroegen hem: wat hij dan deed.

O, zei hij, waarbij mij een hese Maarten ’t Hart-stem voorgeschemerd wordt, bijna onmogelijk, zo besef ik mij nu – O, zei hij, ik schrijf boeken. Voor kinderen.
Hij was hoogstens zo dun als Maarten, maar daar hield ’t vergelijk mee op.

& Ik met mijn kennis, al zijn boeken verslonden ver voorbij de geadviseerde leesleeftijd, geneigd al zijn titels te noemen, de tanden verbijtend van ongecontroleerde & misplaatste ambitie dat te doen, hem mijn bibliotheekboekeneelt presenterend van rechtgeschoven rijtjes bij de ‘K’ van zijn achernaam, waar menig kind de hussel in gooide (maar nooit zo erg als de streekromannenvrouwtjes die helemaal loos gingen in ’t achterstevoren alfabetiseren of nog desastreuzer)… hield mijn mond.

O, herhaalde ’t stel anonieme interviewers, toevallige stilstaande passanten zich vasthoudend aan de 2 ijzeren palen die toentertijd nog in ’t stumperhalletje voor late opstappers onmogelijk in de weg stonden – O, schrijver? Verdient u daar dan uw brood mee?

Bij de openschuivende deuren schoot ik weg, van schaamte dat hij mijn belezen blik niet had herkend. Tevens omdat ik weg wilde van de mogelijkheid te bekennen dat ik hem wilde zijn ipv hem. De woorden, de zinnen, de komma’s & de vele punten die hij gebruikte. Al was ik maar 1 van die puntjes, van op ’t juiste moment, ergens midden in zijn boek.

’t Zal nog lang duren vooraleer Zijperspace een tiende punt daarvan bereikt heeft.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.