negenentwintig

Een maand na z’n dood vroeg een vriendin me of ik nog wel ‘ns aan m’n vader dacht.
‘Ja, elke dag.’

Dat is inmiddels niet meer zo.
Ik haal z’n beeld af & toe te voorschijn. Z’n baard, z’n manier van lopen. Voor & na Parkinson. Z’n glimlach met een nieuw gebit, nog wennend aan ’t idee dat-ie z’n tanden daar opnieuw bij kon tonen. De manier waarop-ie m’n moeder om een zoen kwam bedelen.

Ik denk ook lang niet elke dag meer aan m’n broer. 4 Jaar geleden nu.
De laatste tijd, ja, de laatste tijd komt-ie terug in m’n hoofd.
’t Komt door hoe de bladeren er nu bijhangen. Aan hoe de kou snijdt in m’n keel. Hoe eenzaam ’t voelt als de wind m’n oren & wangen ongenadig teistert & ik voorovergebogen m’n weg probeer te vinden.

Ik had laatst ook dat ik in ’t donker op de trein aan ’t wachten was. Dat gebeurt blijkbaar niet zo vaak.
De reis naar Alkmaar kwam terug. Die zondagochtend, tussen jongeren die de nacht hadden doorgemaakt in uitgaand Amsterdam.
Ik denk dat ’t de laatste keer was dat ik ’t echt koud had. Langdurig koud. Een koude van 1½ uur strekte zich voor me uit in m’n herinnering.
Ik was laconiek, want niets was meer belangrijk.

’t Staat me bij dat ik de conducteur had willen zeggen wat er aan de hand was, als zou blijken dat m’n kaartje niet klopte.
Maar waarom zou m’n kaartje niet hebben kunnen kloppen? Ik had ‘m 2 uur eerder gekocht.
Alles kan verkeerd gaan, moet ik gedacht hebben, zeker in dit soort situaties.
Zouden ze evengoed rouwende mensen een boete willen geven?

’t Was de langste reis naar Alkmaar. Elk station werd meegepikt. Er blijken nogal wat gehuchten met een station te zijn tussen Amsterdam & Alkmaar.
Maar daardoor kon ik voor ’t 1st weer lang onder de mensen zijn. Eerder mocht dat niet. Ik straalde een week lang te veel radio-activiteit uit. Ze hadden m’n te snelle schildklier gesmoord met bestraalde jodium & me daarmee veroordeeld tot een week lang isolatie.

’t Was raar dat al die dingen samen kwamen. Alsof ’t voorbestemd is, dacht ik onderweg steeds weer. M’n dode broer roept me bij zich & confronteert me onderweg met hoe ’t er momenteel met me voorstaat.
Vreemd om opnieuw onder de mensen te mogen komen & je gehele familie, incl een lijk, voorgeschoteld te krijgen.

Niet alleen dit 4e jaar, elk jaar dat nog moet komen weer, zal ik geen wandeling in de kou kunnen maken zonder een broer die er niet meer is tegen te komen. Hij verstopt zich in kale vlaktes, in ½ bevroren plassen, in helderblauwe ijzig koude hemels, in een vuurtoren in een vergeten plaatsje aan de kust, in een schoen die zich voor de andere schoen zet, daarbij voorzichtig doch resoluut aftastend of zich daar geen gladheid bevindt, in takken in winterstand, in de zachte geur van een regenbuitje over ’t herfstrestant.

’t Is 29 januari in Zijperspace, elk jaar weer.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *