thomas

thomas

Ik rij er nu zelfs voor om.

& Als ik op m’n fiets gesprongen ben, zorg ik er voor dat ik snel m’n mobiel foto-klaar heb.
Schuifje open. Zonder flits. Harde kleuren.
Na die handelingen gaat-ie terug in m’n broekzak, waar hij makkelijk voor ‘t grijpen ligt. 1 Druk op de knop zorgt ervoor dat ’t fototoestel in m’n mobiel weer uit z’n slaapstand ontwaakt.

& Onderweg ga ik verder met mezelf vragen stellen. Want ik wil weten waarom ze bijna allemaal in ‘t rood rijden. Of waarom ze constant voor ‘t ziekenhuis staan.

Verder wil ik niet gaan denken, want dan zou ik verbaasd staan van mijn eigen meedogenloosheid.
Wat dus eigenlijk al wil zeggen dat ik die gedachten al door mijn hoofd heb laten gaan. Maar wel heel onopvallend, zodat niemand ze kon horen.
Ik heb wel eens mensen bij zichzelf horen bedenken of een omgevallen boom wel bestaan heeft als niemand heeft kunnen zien of kunnen horen dat die boom daar, midden in het ondoordringbare oerwoud, daadwerkelijk viel.
Dus zou je kunnen zeggen dat al m’n gedachten daardoor gelegitimeerd zijn. Nou ja, door die paar mensen dan, die mensen die niet geloven in ’t omvallen van bomen midden in ’t ondoordringbare oerwoud.

Maar nu ik toch bezig ben: Wie is die Thomas? Is Thomas ’t dode zoontje, die graag met dat poppetje & dat bloemetje achter de ruitenwisser speelde? Of is ’t de vrachtwagenchauffeur, die op z’n oude dag zich voort laat slepen door z’n invalidenvervoer? Staan die dobbelstenen symbool voor ’t leven dat je niet in de hand hebt? ‘Het leven is als een dobbelsteen’, of enige andere levenswijsheid?

En dan opeens: Denken invaliden anders?

Die dingen mag ik niet denken. Dus sla ik de volgende straat in naar rechts om zo snel mogelijk op m’n gebruikelijke route terug te keren.

Want we mogen niet afgeleid worden van ‘t groter doel van Zijperspace.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *