Tuin (III)

Ik ben er inmiddels aan gewend dat ’t roodborstje langs komt als ik aan ’t spitten ben. Alle aarde omgewoeld, dus er valt vast wat te halen.
Dat denkt ze, denk ik.

& Als ik vogelzaad ophang (dat geen vogelzaad mag heten eigenlijk, want zaad van div soorten planten, zegt de betweter in mij) op een zekere afstand, zodat ze denken dat ik ze niet al te snel kwaad kan doen, komt er gezwind een horde koolmeesjes op af.
Ik heb gemerkt dat ’t er steeds niet meer dan 6 zijn. Dat is de max waarop ze elkaar kunnen velen, & waarbij ’t nog zin heeft om elkaar af te wisselen ipv elders voedsel te vinden.
Een constatering, geen interpretatie.
Een pimpelmees wordt een enkele keer toegelaten, maar ook weer snel heen gestuurd.
Ik vraag me ondertussen af hoe pimpelmezen overleven.

Ook daar gedraag ik me als een mens die denkt dat-ie goed doet. Of ik pleeg in ieder geval te denken dat ik mogelijk goed zou kunnen doen.

Maar ’t huppelt allemaal daar zo broos, fladderen doen ze gelijkwijs, alhoewel sneller dan menig mens kan denken. We weten dat koolmees maar iets hoeft te doen & ’t ingeprinte geloof in de mens doet de vogel vliegen. Hij heeft ‘m al eeuwen (mild uitgedrukt) niet kunnen vertrouwen, al lang voordat er knallen aan te pas kwamen, & wenst dat voorlopig zo te houden.

& Dan sta ik stil.
Als vrouwtje merel mijn spitwerk komt inspecteren. Niet omdat ik zo mijn best heb gedaan, evenmin omdat ze weet dat ik wederom, opnieuw, nog een keer, ’t houdt niet op die gedrags- & gedachtenherhaling, haar antropomorf zit te aanschouwen. Want kijk ‘r nou eens kijken met die ene oog naar mij toegewend (de achterdocht straalt onzichtbaar de andere kant op), nieuwsgierig (‘Jij ben gewoon geduldig, eikel,’ denkt ze vroom, zodat ik aan haar gelaatsuitdrukking niet kan zien hoe mijn gedachte niet klopt met mijn wens) naar wat mijn activiteiten op zullen leveren.

Ik moet me elke keer beseffen dat ik er niet toe doe. Dat ik mag kijken. Voelen dat ze me nog net kunnen velen. Weten zij veel dat ik zaad, naar hen vernoemd, handig behapbaar voor ze heb opgehangen. ’t Interesseert ze niet. Als ’t er maar is & ik op vluchtbare afstand ver weg sta.

Er is een foto van een vogeldame, amerikaans, ornitholoog, die zo geduldig in haar leven was dat de vogels haar huis in kwamen vliegen. Dat waren ze gewend, pappa & mamma deden dat immers ook al, hun ouders daarvoor. Ze staat daar in ’t geopend raam van haar huisje. Vogels op hoofd, handen, schouders & raamkozijn.
& Je weet bij ’t zien van dat plaatje, dat je daar vanzelf gelukkig van wordt als ’t jou ooit lukt. Maar na die dame hebben zeer weinigen ’t haar na kunnen doen.
Maar ik heb in ieder geval een tuin om ’t te proberen.

Misschien openklappende ramen installeren in ’t tuinhuisje van Zijperspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.