M’n collega vraagt plots aan me waarom ik zo gehaast ben als ik een lekkernij zie staan. Waarom ik de neiging heb ’t lekkerst & ’t meest ervan te incasseren.

Hoewel overdonderd waarom ze dat juist op ’t moment wil weten dat ik andere mensen uitnodig een stuk makreel te nemen, geef ik haar ten antwoord dat ik uit een gezin van 6 jongens kom, waar ’t altijd een strijd was wie ’t grootste stuk gehaktbal te pakken kon krijgen.

Maar ze blijft doorvragen. ‘Waarom doe je ’t dan hier?’ zonder iets aan de vraag toe te voegen. Ik heb ‘r al uitgelegd dat m’n oog automatisch getrokken wordt door ’t grootste stuk eten wat verkrijgbaar is, dat dat ervan kindsbeen aan ingestampt is door ’t gevecht van elke dag net iets meer te krijgen dan de broer die naast je zat. Waarom wil je ’t weten, denk ik, of misschien is er geen verlangen ’t te weten, als je slechts dezelfde vraag blijft herhalen.

‘Ik wil best antwoord op je vraag geven, maar ik geen zin om me voor de zoveelste maal te analyseren.’ Ik ben moe, bedenk ik. Ik wil niet nog een keer nadenken over wat m’n drijfveren zijn, m’n geestelijke motorieken & er alleen maar spijt van hebben dat ze niet overeenkomen met bescheiden collega’s die geen trek hebben in makreel.

Vandaag is ’t verboden vervelende vragen te stellen in Zijperspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.