archiefmateriaal (IV)

Net als elk klein kind wilde ik detective zijn. De waarheid achterhalen uit minimale gegevens.
M’n broer, m’n neef, de buurjongen & ik, we wisten dat Sherlock Holmes ’t kon. Waarom zouden wij de gang van iemand niet kunnen achterhalen dankzij gebroken takjes of een zandheuveltje dat verschoven leek?
Ook al was er niets noemenswaardigs gebeurd, we zouden de wereld wel even versteld doen staan van welke gruwels hadden plaatsgevonden op plekken die kleine, ogenschijnlijk onmogelijk waarneembare, mutaties hadden ondergaan.

Ik ben wellicht niet verder gegroeid sindsdien. Zo waag ik mezelf wel ‘ns te bedenken.
’t Leven met de anderen lijkt een open boek. Ook ’t leven met mezelf.

Ik vond vanmorgen m’n ramen gesloten. Terwijl ik juist zo dapper bezig was de laatste tijd die van achter & die van voren ’s nachts tegen elkaar open te gooien.
Ademen. Ik moest weer leren ademen.
Niet alleen omdat ik ergens gelezen had dat je er langer van bleef leven. Hoewel ’t vast een rol speelt ben ik immers niet meer zo optimistisch over mijn vooruitzichten. Ik heb ’t onderweg al ergens verknald. Ik moet niet schijnheilig ergens anders compensatie uit proberen te halen.
Nee, ik moest weer de lucht kunnen ruiken. De lucht van groene bladeren, van zomerse zon die langzaam opkwam, van regen die niet alleen maar traag de grond in duikt.
Vanochtend, toen ik voor even veel te vroeg was opgestaan, mezelf een korte pauze van ’t rijk der slapenden had gegund, moest ik de reden vinden waarom ik dat afgelopen nacht vergeten was. Ik testte m’n deductief vermogen.

Even later stond ik voor de spiegel van ’t toilet. Ik keek hoe druppels water zich door m’n baard kroelden. Een labyrint opende zich voor mij. Een labyrint dat elke keer verschrikkelijk makkelijk door die zware druppels leek te worden opgelost. Ze gaven zich over & vonden als vanzelf de weg.
Ik nam nog een slok uit de kraan & volgde in dat beeldscherm met mijzelf wat er ging gebeuren.
Ach, ’t was allemaal voorspelbaar.
Maar ik werd ondertussen afgeleid door enkele rode krassen op m’n borst. ’t Had ook couperose kunnen zijn. In mijn familie hebben we bovendien een dunne huid.
Toch leken dit mij krassen. Krassen die afgelopen nacht hun oorsprong hadden.
Een wit vlekje toonde me waar ik door m’n huisarts ooit van een stukje wild vlees was ontdaan. ’t Scheen in de ochtendlijke morgenlicht van de douchelamp helder maagdelijk. Alsof dat de veroorzaker was van een lichte jeuk & m’n nagels in ’t donker telkens weer er omheen hadden gewoeld.
Mijn nagels? Wat hadden mijn nagels er aan om al liefkozend mijn huid te beschadigen?

Ik wilde mij op dat moment zo’n amateur-Sherlock voelen van ong 10 jaar oud. Een Sherlock die alleen maar foute conclusies trekt, omdat Watson de verkeerde aanwijzingen, de verkeerde boodschappen overbrengt. Een Sherlock die spijkers zoekt op laag water. Een Sherlock wiens duim onmetelijk veel groter is dan onze geest van toen.

Ik heb de deuren richting achtertuin wijd open gegooid vervolgens. Vogels, echte vogels, kwierelieren hun ochtendzang richting ’t bed dat nog even, heel kort beslapen moet worden. De weg terug, richting realiteit, moet weer gevonden worden.

Bij ontwaken wederom goed genoeg bevonden voor Zijperspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *