archiefmateriaal (VII)

Ik zwijg wat meer.
Ik houd m’n mond.
Dat is natuurlijk ‘tzelfde, maar ik krijg nu eindelijk de gelegenheid om die woorden in m’n mond te nemen. Dan zeg ik ’t liever meteen dubbelop.
’t Rijmt zo lekker in m’n mond. ’t Geeft ritme aan wat ik voel.

Ik mag niet meer alles zeggen van mezelf. Niet meer van alles zien & daar meteen over beginnen.
Beheersing.

Vanmiddag zag ik iets in m’n ooghoek bewegen & werd daardoor gedwongen naar buiten kijken. Naar die plek waar jij eens zat.
’t Is niet eens zo lang geleden, misschien dat ik daarom afgeleid werd. Nog maar net gebrand op m’n netvlies, zoals dat heet. Je was nog maar amper uit beeld verdwenen.
Er trok een vlam door m’n buik. Een steek die zei dat ik me niet mocht laten afleiden door dat wat er niet was.
’t Voelde echter vertrouwd. Alsof er niets veranderd was. Voor een luttele seconde. Ik had je terug geprojecteerd daar waar je al een tijd vandaan was gegaan. De uurtjes die we daarna samen hadden doorgemaakt waren verpakt in zoet-pikante saus van een korte beweging van m’n nek, om je nog net op tijd te pakken te krijgen, de herinnering terug.

Tuurlijk zat je daar niet. Je was al lang weg van daar. Ik had je toen immers zelf meegenomen. Ik was er zelf bij geweest toen je vertrok.

Maar ik zwijg wat meer. Ik hou m’n mond. De herhaling ervan doet me dat steeds meer beseffen. Dan wordt ’t gemis niet zo groot. Niet zo snel zo groot.
Als ik ’t steeds weer tegen mezelf zeg, dan komt de rust vanzelf wel.
Eigenlijk mag ik geen woorden meer gebruiken. Alles wat ik zeg zou verkeerd kunnen zijn. Waar eens mijn woorden konden bekoren bederft de herhaling, ’t ritme, de strekking, of wat dan ook, alles wat uiteindelijk vanzelf voorspelbaar wordt, jouw uitzicht.

Zo denk je niet, ik weet ‘t. Zo zou je niet willen zijn, wellicht.
Ik ben ’t die dat voor jou bedacht heeft.

Je bent de vrouw die daar zit waar ik m’n nek naar wendt zogauw ik iets zie bewegen in m’n rechter ooghoek. Je zit daar nog steeds bevroren in mijn ideale houding. Niet die van jou: slechts in míjn repetitief vermogen.
Ik wacht tot niets zich meer roert. Tot alles wat zich opnieuw presenteert genoeg van z’n oorspronkelijke identiteit verloren heeft. Alles, echt alles zal ooit, geleidelijk aan, delen van dat waarmee ’t begon verliezen.
Dan word ook ik eindelijk stil.
Dan zwijg ik. Er is niets meer. Slechts een punt.

Geen avonturen meer in Zijperspace.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *