boete (dl 1)

We waren op avontuur & ontdekkingsreis tegelijk. Door Nieuw Den Helder. Achter de flats langs, voorbij de kerk. Door ’t park, richting kerkhof via de Vliestroomlaan. De paadjes achteraf, richting de bungalowwijk naast Pa z’n school. & Terug.
Carel een fiets met handremmen. Ik nog steeds m’n kleine blauwe met terugtrap.
Soms waren we cowboys & indianen. Even later duitse troepen achtervolgd door engelsen. Carel viel zelfs een keertje dood. In de berm achter ’t kerkhof. Ik moest ‘m wakker schudden, want anders bleef-ie er in. Even later probeerde ik ’t ook. Langzaam fietsen & toen Carel schoot me schuins weg laten vallen. Uitkijken voor de trappers.
‘Nee, dat ziet er niet echt uit,’ was Carel z’n commentaar.
‘Nog een keer dan.’
‘Nee, we moeten verder.’
Waarop hij dood van ’t bruggetje viel. Hij wel. Maar we lachten, omdat-ie net aan ’t randje van de sloot terecht was gekomen.

Terug dus. We hadden Pa niet gezien bij school. Ook geen leuke meisjes, die klaar waren met les. & De kleine paadjes van Nieuw Den Helder hadden we nu wel allemaal gehad.
Achtervolgertje. Om zo snel mogelijk thuis te zijn. De 1 moest doen wat de voorste deed. Over de stoep, van de stoep af, langzaam, snel, bochten makend, recht.
Vooral op de stoep.
Dat vond meneer agent niet leuk. Hij stopte z’n wagen naast ons.
Hij had net een motor gearresteerd. Die stond in de aanhangwagen achter hem. Vast gestolen.
‘Hé, jongens!’ zei de agent streng.
We schrokken.
‘Je mag niet over de stoep.’
‘Ja, maar…..’ begonnen wij.
Niks te maar. De man stapte z’n auto uit.

Ik hoorde Carel fluisteren. Heel snel.
‘De Boer.’
Oja, de Boer. We heetten geen Zijp. Wel de rest ‘tzelfde. Antonius Franciscus Bernardus. 10-4-64. Ton. Hij Carel.
Maar de Boer. Van de Volkerakstraat 406. Niet Marsdiepstraat 406. Volkerakstraat. Dan zouden we nooit die boete krijgen.
Hadden we tevoren besproken. Voor als de politie ons wilde bekeuren. Een slimme list, vonden we zelf. De Boer was die vervelende buurman van even verderop.

‘Waarom rijden jullie over de stoep?’ baste de agent streng.
Ik reikte tot z’n navel.
‘We moesten daar zijn.’
Ik wees naar ’t einde van de stoep.
‘Dan kan je dat ook over de weg.’
‘Ja, maar…..’
‘Niks te maar. Zagen jullie die mevrouw met kinderwagen niet? Die moest voor jullie uitwijken.’
We keken om. Daar reed de kinderwagen. Carel viel bijna om toen we haar zo traag mogelijk passeerden. Dat hoorde bij achtervolgertje.
‘We deden achtervolgertje,’ probeerde ik.
Carel zei niets. Ik geloofde nog in gerechtigheid. Hij was daar al voorbij.
‘Jullie weten dat over de stoep rijden 10 gulden boete kost?’ ging oom agent streng verder.
‘Ja, maar…..’
Hij hield niet van ‘maar’, haalde z’n boekje tevoorschijn.
‘Goed, wat is je naam?’
‘Ton de Boer.’

Wordt vervolgd in Zijpersss, oeps, Boerenspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.