dierenjaaroverzicht

Eksters eten jonge vogels. Dat wist ik nog niet. Ik wist al dat ze arrogant aanwezig konden zijn, de andere vogels hovaardig over ’t hoofd ziend, maar dat ze zich als de kannibalen van m’n achtertuin zouden gedragen had ik niet verwacht. Hun staart wipte energiek & eigenwijs op & neer terwijl ze, onder luid gekwetter van de bedreigde ouders, een nest vanonder een druivenstruik (zo heet ’t weliswaar niet, maar zo laat ’t zich wel makkelijk noemen, zeker gezien de vorm die ’t zichzelf geschapen had onder ’t balkon van m’n buren) leegroofden. Een paar dagen later werd ik door ‘tzelfde gekwetter er op geattendeerd dat enkele huizen verder ‘tzelfde tafereel zich nogmaals afspeelde. Volgend jaar geen spreeuwen in mijn buurt, dacht ik.

Katten zijn dermate schuw geworden, door mijn niet aflatende ‘psssssssst’, plots geklop op de ramen, & onverwachte toeschietende bewegingen, dat ze mijn tuin slechts aan de achterkant, op doorreis van etensbak naar etensbak, durven te gebruiken. Drollen & stank heb ik dit jaar niet hoeven aantreffen. ’t Lijkt alsof er minder katten in mijn directe omgeving leven, maar ’t zou dus ook kunnen dat mijn niet aflatende campagne ze te verjagen een bijdrage hierin heeft gehad. Daarnaast zouden de vermiste katten, waarvan ik op de hoogte gebracht ben door gekopieerde briefjes met 10 spelfouten op de 4kante cm, dikke viltstiftpraat, tranen verwerkt in smeekbedes vooral melding te maken zogauw ’t geliefde kleinood gesignaleerd werd, ook een reden kunnen zijn dat ik mijn tuin niet meer zo erg lijdt onder ‘t bezoek van dit luie tuig, dat z’n dag doorbrengt met vooral slaap & een enkele keer de buren lastig vallen, dan wel juist die visite die ’t minst gesteld is op schootgedrag. (Mocht de laatste zinnen niet volledig te begrijpen zijn: ik heb gepoogd al mijn frustratie & ergernis omtrent dit huisdier hierin te verwerken).

Welk feit tot gevolg heeft, wellicht, dat muizen zich veiliger voelen in mijn omgeving. Tot 2 maal toe, in niet al te lang tijdsbestek, heb ik een muis mogen signaleren. Waarvan 1 op een afstand van nog geen 20 cm (ik probeer ’t mezelf realistisch voor te stellen door de afstand de andere overdreven kant op te beredeneren), op ’t moment dat ik de vuilnisbak opende. Muizen zijn wezens die zich heel plat kunnen drukken, hun botten kunnen vouwen, schijnheilig angstig zijn, & tot mijn niet aflatende overtuiging in staat zijn de menselijke keel in een overdonderende aanval door te bijten, de grote teen in een oogwenk kunnen oppeuzelen, ook al is deze verpakt in een stevige wandelschoen, alsook de verschrikte vinger, die welke ’t deksel van ’t vuilnisvat heeft opgelicht, met een laserstraal van de geniepige ogen kan doen oplossen in luchtledigheid.

Tevens hebben slakken zich mogen laven in ’t satanische genot mij te zien beven. Zij bleken in hun schik te zijn als zij in grote getale opdoken in nat ochtendschemer, ondanks ’t feit dat zij daarbij moesten constateren dat ik gewapend was met de zoutpot. ’t Vooruitzicht mij trillend te mogen aanschouwen gaf hun zelfmoordmissie bestaansrecht, & ’t sissend doen opgaan in niets anders dan hun eigen vocht, deed blijkbaar een geur verspreiden naar nevenliggende tuinen, dermate aantrekkelijk voor hun soortgenoten, dat ook deze besloten zich aan te melden voor de actie mij schrik aan te jagen. Welke tot gevolg had dat ik niet meer blootsvoets noch met slechts sokken aan mijn tuin durfde te betreden.

Padden durven & kunnen nog steeds door een smal kiertje mijn kelder in glippen. Ik was er ditmaal getuige van dankzij een plat lijk dat zich ik aan ’t eind van de zomer mocht waarnemen. Uitgedroogd, uitgemergeld, plat. Die kelder had ik de gehele zomer gemeden juist vanwege ’t feit dat er mogelijk weer een pad zou zijn. Dit omdat ik in mijn tuin meermaals opgeschrikt werd door flukse bewegingen vanonder bladeren. Ook voor padden bleek mijn tuin stukken aantrekkelijker dankzij de afwezigheid van katten, blijkbaar. Of anders hadden de eksters geen trek in ze vanwege ’t overweldigende jongevogeltjesaanbod dit jaar.

Pimpelmezen blijken niet door ’t keukenraam te kunnen zien dat ik naar ze zit te loeren. Koolmezen wel. Waardoor ik te weten ben gekomen dat pimpelmezen een ietwat kleiner zijn dan genoemde soortgenoten, ietwat dommer, alsook een ietwat suffiger in ’t zoeken naar voedsel. Om dit laatste gebrek te ondervangen volgen ze heel vaak de koolmees in ’t kielzog.

De ratten zijn dood. Als ’t goed is. Gister, op ’t randje van 2004, is ’t gat bij de buren, op aandringen van de dierenvernietigingsorganisatie, gedicht, zodat de ratten, mochten ze nog in leven zijn, of toch nog ergens verborgen nakomelingen hebben verstopt, niet meer de trap richting bovenburen kunnen bestijgen. Probleem is alleen dat ik de stofzuiger niet meer durf te pakken, die zich in een hok bevindt, onder de trap van de buren, boven een klein gaatje, een zogeheten vingergaatje, zodat je bijbehorend uitneembaar luik op kunt tillen & naar de kruipruimte kunt rijken, die waarschijnlijk in verbinding staat met die enge ruimte van mijn buren, zodat mijn huis langzamerhand in bezit wordt genomen door de huismijt.

Verder ben ik er achter gekomen, nog geen 2 weken geleden, bij ’t kerstdineetje met m’n buren, dat ik eigenlijk helemaal niet meer bang ben voor alle dieren.
‘Waar ben je dan zoal bang voor?’ vroeg iemand, een stukje kip in de mond schuivend, daarbij een syrisch servet hanterend om ’t smakelijke druppelen langs de kin toch enigszins in toom te houden.
‘Voor alles, zo’n beetje,’ zei ik, ’t voorbeeld volgend.
‘Ook voor spinnen?’
‘Nee, voor spinnen ben ik tegenwoordig niet meer bang,’ moest ik toegeven, ‘ik moet ze weliswaar zo snel mogelijk doodslaan, maar echt bang ben ik niet meer.’
‘& Voor honden?’ werd ’t vorige stereotiep geopperd.
‘Nee, voor honden ook niet. Vroeger als de dood. Maar ik hoef nu bijvoorbeeld niet meer langs de overkant van de straat te lopen om mijn eigen angst te mijden.’
Maar tegelijkertijd bedacht ik wel dat ik vaak bang ben voor de eigenaars van honden. Zoals dat stel verderop, waarvan ’t meisje altijd de honden uitlaat. Ze laat zich meeslepen door de ene, alsof zij uitgelaten wordt, & roept naar de andere, die los mag, dat-ie erbij moet blijven & op de stoep. & Ik schijt in m’n broek voor de man van dat stel, die veel te breed is & volgens mij degene is die alle vogeltjes in de buurt deed zwijgen toen hij, getuige de achterbuurman, op z’n vrouw met een stuk hout stond in te slaan.

& Bij deze moet ik nog even m’n spijt betuigen & dat ’t echt niet de bedoeling is van mijn leefconstructie, specifieker: de keuken, om daarin alle vliegjes te vangen & te laten verhongeren, te laten stoten tegen doorzichtige doch ondoordringbare ramen, te laten uitputten, totdat ze op de keukenkastjes, de vensterbank, de door de stofzuiger vergeten hoekjes, de koelkast & de pannenplanken dood blijven liggen. Dat heb ik niet zo bedoeld.

We beloven beterschap voor 2004 in Zijperspace (maar natuurlijk niet voor de reeds dode vliegjes).

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *