gaai

Gaai
Ik word blij van ’t zien van de vlaamse gaai. & Ik discrimeer daarbij de spreeuw & de merel. Zoals ook de koolmezen ’t verliezen van de pimpelmezen & die weer van de staartmezen.
Alleen de doodordinaire mus, die ik hier zelden zie, mag zich in zijn extreme gewoonheid verblijden in mijn belangstelling.
Extreem gewoon: er waren er 1000-en. M’n moeder gaf ons vroeger opdracht de mussen te voeren, niet de vogels. Zo gewoon waren ze.

Dus verschijnt de mus (van de week 2), dan kruip ik naar ’t raam & probeer ’t moment te vangen, me te behoeden voor een vergissing in ’t spotten (‘Is ’t nou echt wel een mus, is ’t nou echt wel een mus, is ’t nou echt wel een mus?’ tettert ’t door m’n hoofd) & is elke knippering van m’n ogen een foto die tot ’t einde der dagen in m’n hoofd gevangen moet blijven.
Hoewel ik weet dat dat laatste niet werkt. Toch doe ik elke keer opnieuw verwoede pogingen alle bewegingen op te slaan op m’n innerlijke harde schijf.
Hoe hard faalt die vergelijking van de mens met een computer toch telkens weer. Ik maak er een rotzooi van. Op m’n computer, hoewel ik ook daar niet bepaald overzichtelijk te werk ga, kan ik alles terug vinden. Daartegenover zou ik nu al niet meer weten waar in de tuin mannetje & vrouwtje mus van de week aan ’t rondhupsen waren.
Achterin.
Ja, achterin. Maar was ’t op ’t stenen paadje of zaten ze in de lijsterbes? Was hun tocht 3 hupsen lang of wellicht wel 5? Wie had de leiding, man of vrouw? Welk geluid weerklonk?

Ik heb bij de vlaamse gaai ’t fototoestel erbij gehaald.
Dat doe ik wel vaker. Daardoor weet ik inmiddels dat ’t vaak vergeefse moeite is. De vogel zit over ’t algemeen te ver weg in den einder, gehuld als in een dikke laag mist. Dat zal de viezigheid van m’n raam wel zijn. Vorig jaar was z’n laatste wasbeurt.
Maar ondanks ervaring blijf ik eigenwijs. Steeds weer de camera erbij.

Ik ben van mening dat alles wat je registreert, wat je probeert te noteren door ’t vast te leggen, je eigenlijk overgeeft aan de vergetelheid. Een agenda is niet om iets te onthouden. ’t Geeft je gelegenheid om wat je daarin opschrijft te vergeten. Een foto tijdens de vakantie net zo.
& Tegenwoordig neemt men zo veel kiekjes (er zal er straks vast wel 1tje tussen zitten die geslaagd is), dat men ook gaat vergeten te kijken naar wat men fotografeert.

Maar ik begin steeds minder m’n geheugen te vertrouwen.
Plus: ik wil dat moment. Dat plukje 1-dimensionale tijd wil ik mezelf toeëigenen.
Vind ik de woorden van binnen niet, dan heb ik in ieder geval nog ’t plaatje.

Daar zat de vlaamse gaai, in de druivenstruik, 1 meter verwijderd van m’n raam. Terwijl ik net de onderste helft van m’n kleren had uitgetrokken om onder de douche te gaan staan.
Ik loop daar dus in m’n blote toges, stoel in m’n ene hand, toestel in m’n andere, angstvallig me verstoppend achter de, vanwege ’t ontkleden, ½ gesloten gordijnen. Dit deels vanwege de allochtone buurmensen die ik met mijn naaktheid niet van hun geloof wil stoten, deels omdat ik weet dat de gaai me dan minder snel zal opmerken.
& Zogauw ik de stoel heb beklommen begin ik op niets af met ’t onstekingsmechanisme van ’t apparaat te bestoken met m’n vinger.

Als 10 min later de vogel gevlogen, de batterij leeggelopen & m’n meest private lichaamsdeel onderkoeld is, kom ik er achter dat ’t mist. ’t Mist opnieuw. Op bijna alle foto’s die m’n computerbeeldscherm laat zien.
Terwijl daarnet de zon nog scheen.
Maar kijk, die blauwe veertjes, daar aan de zijkant; wist ik voordat ik deze foto’s door de computer had laten gaan, dat die veertjes daar aan de zijkant blauw zijn als de nimmer onder ogen gekomen mediterranee?

’t Barst van vergetelheid over de onwetendheid in Zijperspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.