grapjes

M’n vader legde z’n hand op z’n hoofd. Hij tastte z’n voorhoofd af op zoek naar dat ene plekje, een soortemet moedervlek die sind jaar & dag nog net onder z’n haar verborgen zat.
‘Kijk,’ zei hij, ‘zie je wel: dat plekje zit nog steeds onder m’n haar. Dat zat-ie ook al toen ik 20 was. Dus sinds die tijd ben ik niet kaler geworden.’
Vergenoegd keek-ie om zich heen. Een glimlach vol zelfspot, zo zagen wij. Een buitenstaander zou ‘m geloven. Wij wisten beter.
We wezen naar z’n hoofd. Wezen de inmiddels diepe inhammen aan, naast de dunne lijn haar in ’t midden.
‘Maar Pa, aan de zijkant van je kuif zit bijna niks meer.’
’t Haar van m’n vader lag over z’n hoofd naar achteren. Hij pakte in ieder geval 1maal per dag z’n kammetje uit z’n broekzak om met 2 of 3 halen ’t haar naar achteren te kammen. Een kort moment kon je dan zien hoe lang de slierten eigenlijk waren die voor de rest van de dag over z’n hoofd lagen gedrapeerd.
‘Nee, hoor. ’t Is nog net zolang als vroeger.’
Z’n neus stak altijd wat meer naar voren als hij zichzelf in de maling nam. Wij broers hadden dat door, maar Ma trapte er altijd in. Ma nam nou 1maal alle grapjes serieus.

’t Is lang geleden dat ik m’n vader z’n befaamde grapjes hoorde maken. De laatste keer vond plaats, voorzover ik me kan herinneren, toen hij naast z’n stoel ging zitten. In een volle kamer visite, allemaal te gast ter gelegenheid van de verjaardag van m’n broer. M’n vader wilde in ’t, vanwege de onverwachte drukte, tevoorschijn gehaalde kampeerstoeltje gaan zitten, maar door z’n coördinatie-stoornis ten gevolge van Parkinson schoof-ie de stoel juist opzij ipv dichterbij. De hele kamer was geschokt toen men m’n vader met een bons op de vloer hoorde terecht komen. Er schoten wat mensen toe om m’n vader overeind te helpen. Je zag de mensen denken: die arme fragiele man heeft vast wat gebroken.
Maar terwijl de voltallige visite vervuld van medelijden & zorg naar m’n vader keek, vatte hij ’t laconiek op door te zeggen: ‘Ik dacht nog: zal ik me er gewoon in laten vallen of wachten tot-ie als vanzelf m’n billen opzoekt?’
Er klonk een zucht van opluchting in de lach die door de kamer trok.

Tegenwoordig hoor ik ‘m geen grapjes meer maken. Volgende week ga ik weer naar ‘m toe, heb ik m’n moeder door de telefoon toegezegd. Maar eigenlijk weet ik niet of ik wel naar hem ga. Ik weet dat ik dan m’n vader zie, die niet meer m’n vader is. Hij lijkt er niet meer op. Hij zal blij zijn mij te zien, maar is waarschijnlijk m’n visite alweer vergeten als-ie een uur later naar bed gaat. Hij zal ’t misschien zelfs als te druk ervaren. Onoverzichtelijk: meer mensen in huis dan alleen m’n moeder & m’n jongste broer. Verontrust zal-ie in z’n stoel zitten, pogingen ondernemend ’t gesprek te volgen dat m’n moeder & ik voeren. Een vragende blik zal zich op z’n gezicht aftekenen als-ie moet ondervinden dat-ie daar niet meer toe in staat is.
Ik weet ondertussen wat me staat te gebeuren als ik m’n ouders opzoek. Ik weet wat ik kan verwachten, of wat ik eigenlijk niet meer hoef te verwachten. Alles wordt minder. Geen grapjes meer, & met moeite zal er een glimlach op z’n gezicht te toveren zijn door een grapje te vertellen die de zoon van de vader heeft overgenomen.

‘Nee, nee,’ riepen wij, ‘jij hoort niet bij ons. Ga weg.’
M’n moeder deed net zo hard mee: ‘Nou, Niek! Ga ergens anders staan met dat malle pak.’
We schaamden ons rot tegenover de rest van de camping. M’n vader stond in z’n knickebocker, hoog opgetrokken tot over z’n navel, zuidwester op, in z’n hand een belachelijke stok die hij tijdens z’n wandeling ergens op de kop had getikt, voor ’t raam van de caravan. Met z’n stok had-ie onze aandacht getrokken. Z’n glimlach straalde ondeugend dom door ’t raam. Wat is er nou aan de hand, leek-ie te zeggen. Maar hij wist dondersgoed wat er aan de hand was. We wilden niet voor aap gezet worden door een vader die er niet uitzag. Zo’n vader wilden we niet hebben: een vader die als een levende vogelverschrikker over de camping liep. Wij verstopten ons onder de banken van de caravan, hopend dat we daardoor konden ontkennen dat wij kinderen van hem waren.
Pa kwam glimlachend de caravan binnen.
‘De volgende keer doe ik dat pak aan als ik ga wandelen. Gaan jullie dan mee?’

De schaamte bleek uiteindelijk de grootste trots van Zijperspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.