Lichaam

Ik zit daar nog steeds. Een berouwvol lichaam. Spijtvol, hulpeloos, van historie geknepen, een naakte baby, misschien nog klaar & onbevangen hangend voor de druppels uit ’t doopvont. Terwijl ik waarschijnlijk amper mezelf de mogelijkheid heb gegeven m’n kont tegen ’t platte vlak van de tegels te drukken. M’n dunne huid te voelen die doorgaans pukkels laat groeien waar die noeste straattaal van klinkers geen wijken weet. Geen deuk, geen emotie van gelijke bewogenheid ontmoetend als ‘Wat is mij gebeurd?’.

Ik zit daar nog steeds.
Toen mij nog niets meer deed dan de verwondering op ’t laatste moment te moeten uitwijken & dat niet voldoende bleek. Stuurwiel tegen trapper. Waar ’t grootste effect vooral de beweging van m’n armen, handen & lichaam zijwaarts, wegwezen, was. Ik & in ’tzelfde tempo traag maatregelen nemend object, een vrouw erbovenop, pogend, risico-mijdend, te komen tot een hard punt, ’t zat er aan te komen, langzaam naderend vlak van hoe ’t nog niet zou voelen zo hard nogmaals dichterbij komend punt zich uitstrekkend, maar nog steeds hard vlakkend vlak, zo plat, hard, hart.

Boems, boems. Knie, knie, ontmoetend tegel of klinker, onduidelijk wie welk, links, rechts.

Ik heb dat allemaal in me opgenomen, de trage film.
Zo veel indrukken op m’n plaat die juist bezig was overtollige informatie af te vlakken. Zodat de naald niet meer nogmaals zou verspringen.
Maar nu moeten constateren dat ’t ouderwets steeds in dezelfde groef terug zou keren. Als vanzelf.
‘Hips, hier ben ik terug, u weet wel.’
‘Hips, hier ben ik terug, u weet wel.’
‘Hips, hier ben ik terug, u weet wel.’
Draaiend vlak dat om z’n eigen herhaalde waarheid tolt. Des te vaker de meer waar. Omdat ’t me blijkbaar iets duidelijk wil maken. De herhaling, de tegel, ’t links/rechts-onderscheid van knieën & inmiddels geschramde knuisten.

Een begripvolle jongedame. Ze was er ook geweest. De geest die propvol zat & wist dat er dan niet zomaar iets van belevingsvol bovenop past. M’n telefoon overneemt & daarin haar nr plus die van de gebeurtenisgetuige noteert. De verantwoordelijke, die haar fout al aan ’t wegpoetsen is, die slachtofferafhankelijke liefde (‘Mag ik dat zeggen,’ zingt Mart in m’n hoofd, ‘ja, dat mag ik zeggen.’) creëert, boetevrij, onbevlekt.

’t Deed geen pijn, & dat bloed laat geen sporen na. Maar waar mijn te veel al te veel was & dacht eindelijk ruimte voor nieuwe ervaringen te hebben, daar knijpt ’t opnieuw. Knijpt & perst tranen. Schuldig aan volheid die de straat lijkt te willen overladen met verborgen leed, waar dat niets meer is dan een emmer vol, nokkie gevuld, waar wat m’n wangen doet stromen niets meer is dan overtolligheid.
Langzaam weer richting kade wadend. De oever, omkijkend, ’t tranendal overziend. Berustend, wachtend op de hierna te verwachten volgende golf.
Vast minder hoog, wetend de grootste vloed voorbij.
Er wacht eb.

Berustend Zijperspace wacht op wat er na de pauze volgt.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.