omstandigheden (2)

‘Goedendag,’ zei ze.
Een brede glimlach die mensen meteen op hun gemak moet stellen.

In de verte, achter enkele kasten ter hoogte van een ½ mens, ter afbakening van de rest van de ruimte, zag ik ’t gezicht dat ik ook op internet had gezien. De speciale afdeling van ’t ziekenhuis, 1 van diens speciale specialisten.
’t Gezicht converseerde met de man tegenover hem. Een jongeling.

‘Goedendag,’ zei ik. ‘Ik had een afspraak.’
‘O, u moet de heer Zijp zijn. Ik ben Miranda.’
Ze wierp een schuine blik richting agenda. Wat een moment later de agenda bleek te zijn. Toen ook ik m’n naam mocht zien prijken.

Ik schudde een hand. De hand van Miranda. Wiens naam ik straks vast weer vergeten zou zijn als ik niet naar ’t naamplaatje zou kunnen kijken.

‘Nog steeds,’ zei ik m’n grap om de spanning te breken.
Die komen er doorgaans als vanzelf uit. Alsof ik ze ingestudeerd heb.
Net als op de vraag: ‘Geboren 10-4-64?’
‘Is niets aan veranderd.’
De spanning opgeborgen achter een grijns. Wederzijds.

‘Ja, u moest hier om ½ 10 zijn,’ zei Miranda, ‘nuchter.’
‘Dat is me gelukt,’ zei ik weer droog.
& Wierp voor de zekerheid een blik op de klok.

Die tikte.
Ik dacht aan hoe ik mensen wel eens heb proberen uit te leggen waarom een klok ‘tiktak’ zegt. & Niet ‘tiktik’.
Anders is er geen besef van tijd. Verandering doet realiseren dat er voortgang is.
Zo sloeg ’t ook van binnen.
Ik voelde ‘m bonzen.

Badam, badam.

’t Ritme van de dag.
Deze dag.

Met leemtes om de voortgang aan te geven.

‘U kunt alvast daar gaan zitten,’ wees Miranda naar 1 van de kamers.
Een zaal met belendende kamers, ik stond er nu pas bij stil. Om me heen lagen mensen in bedden, ieder z’n eigen kamer. Toch wel zeker 6. Vanuit ’t centrale bureau van Miranda was je binnen enkele stappen bij elke willekeurige patiënt.

Ik zag ogen vanuit een bed mijn kant op kijken. Kabeltjes liepen vanonder de lakens naar een apparaat ernaast.

‘Maar ik verwacht nog iemand om ½ 10. Dus ’t kan zijn dat u er straks weer weg moet.’
Ik bekeek de kamer die volgens Miranda mijn bestemming moest worden. Schatte alvast in waar ik m’n spullen kwijt kon, waar ik kon gaan zitten. M’n boek tevoorschijn, in wachthouding voor desnoods een paar uur.

Ik zat. Op de aangewezen plek.
& ’t Volgende moment kwam de man binnen die mij van deze plek zou verdrijven. De volgende urgente patiënt.
Ik pakte alvast m’n spullen weer bij elkaar.
‘’t Spijt me,’ begon Miranda al.
‘Je had ’t aangekondigd,’ ving ik haar woorden op, om haar niet schuldig te laten voelen.

‘We hebben 2 wachtkamers,’ legde ze uit. ‘Een open wachtruimte, met tv. & Een warme, zonder verdere voorzieningen.’
Een afgesloten ruimte. Slechts 1 raam richting buitenwereld. Geïsoleerd.
Met ‘Daar kan ik me heerlijk op m’n boek storten,’ accepteerde ik de laatste.
Ik had ‘m al in m’n hand.

Toen liet ze me alleen.

Zijperspace was een gesloten ruimte voor 1½ uur, waar niemand kwam.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *