plons

Ik heb ‘t 2 keer geprobeerd. Heldhaftig, in volle overtuiging. Ik wist dat ik ’t kon. Iedereen kon ’t immers. Of iedereen durfde immers, dat bleek. Waarom zou ik niet durven?
Bovendien beleefde iedereen er lol aan. Waarom vormde zich anders zo’n lange rij bij de trap? Treetje voor treetje trok men trillend nat omhoog om in een enkele tel van die hoogte te kunnen genieten. Niks genieten van ’t uitzicht, hoog boven iedereen uit, maar een snelle aanloop, een sprongetje, opwippen & naar beneden. Alsof ’t hen voor de rest niets kon schelen.
‘Je moet ook niet naar beneden kijken,’ werd ik gewaarschuwd.
Dat hadden ze me al 100-en keren gezegd. Niet naar beneden kijken. Daar was blijkbaar iets engs mee aan de hand. Maar ik had mezelf aangeleerd altijd op de hoogte te zijn van iets dat eng zou kunnen zijn. Enge dingen kunnen aanvallen. Onverwachts, vooral als je er geen rekening mee houdt.
Voor ’t geval dat ik toch iets engs zou tegenkomen, ging ik de 2e keer op een moment dat er niemand belangstelling voor de hoge duikplank had. Dan zou ik ook niet gedwongen kunnen worden mocht ik op m’n stappen terug willen treden. De blamerende weg langs dezelfde traptreden weer naar beneden.
Ik zag mezelf in de toekomst meesterlijke duiken nemen. Een salto. Een schroef. Draaiingen om m’n eigen as. & Vloeiend verdwijnen in de diepte, om op een onverwachte plek m’n hoofd weer uit ’t water op te heffen. Zoals ik stevig gespierde jongens van 10 jaar ouder zag doen.
Een enkeling was dat. Ze deden ’t alleen als ’t zwembad nagenoeg verlaten was. Tegen sluitingstijd. Nog snel even hun kunststukjes, zonder publiek onder de plank, uitvoeren.
Met m’n broers zat ik dan te wachten op de publieke tribune, naast de snackhoek van ’t zwembad. Haren nog nat, een rolletje handdoek onder onze elleboog, zwembroek er in gerold, wachtend tot 1 van de ouders ons met de auto kwam halen. Kauwend op een stuk drop, ademloos kijkend naar de gratis show.
Dan wilde ik ’t zelf ook kunnen. Durven. Kunnen durven. Al was ’t maar een bommetje waarbij de spetters tot hier op de tribune reikten.

De 1e keer dat ik probeerde, hebben ze me schoorvoetend langs gelaten. Langs de bijna naakte lichamen, ik voelde ze langs me heen glijden, steeds verder naar ’t beschamende beneden.
Ze lieten me langs omdat ik tranen in de ogen had. Tranen van angst dat ik terug omhoog gedwongen zou worden.
‘Als je 1maal boven bent, dan moet je,’ hadden ze me verteld. ‘Dan laten ze je niet meer naar beneden.’
Ik had mensen voor laten gaan. Mezelf achteraf bij ’t uiteinde van de plank gezet. Voeten op de stangen, want anders zou de plank niet goed genoeg veren. & 1 Voor 1 passeerden mensen me. Sommigen gebaarden dat ik aan de beurt was, dat ik toch eindelijk moest.
‘Nee, nee, nee,’ gebaarde ik terug, snel een blik in de diepe diepte werpend.
’t Duurde uren voordat lichamen beneden waren, vanaf deze hoogte. & De geluiden, de roepende broers, kwamen uit een vergelegen land, waarvan slechts echo’s de duikplank wisten te bereiken.
Misselijk van angst begon ik op een onbewaakt moment van degene die na mij was aan de weg naar beneden. Glipte langs ‘m heen. ’t Meisje daarachter liet me ontroerd ook verder. De mensen na haar moesten vervolgens wel. Dat trillend lichaampje konden ze niet dwingen, zag ik in hun ogen.

De 2e maal ging net zo, maar dan met slechts een enkeling op de trap. M’n broers al richting kleedhokjes, vlak voor sluitingstijd van ’t zwembad. Gelijk met de échte duikers trad ik op de ‘hoge’ toe.
Zij sloegen bij ’t klimmen een trede over, zo snel moest er genoten worden van de volgende duik, van de laatste minuut, van ’t afwezig zijn van lastpakken onder de duikplank, mensen waardoor je je nek zou breken.
Ik liet me inhalen op de smalle trap. Ik nam m’n gemak ervan. Vooral niet op laten naaien door de oude ervaren jongens.
& Voorzichtig ging ik op de plank zelf staan. Nog ontspannen.
Tot ’t moment dat ik naar beneden keek. Ik wilde niet, zeker niet nu ik al halverwege was, bijna voorbij de steun langs de zijkanten, maar m’n blik trok naar omlaag als naar de magneet die zwaartekracht heet. Ook m’n ogen waren daar gevoelig voor.
Er was niets engs, behalve dan dat alles leek op massief steen. Er was geen doordringen aan, daar beneden. Je zou plat neervallen. Te pletter slaan.
Ik stelde me slechts een kleine glibbering voor & ik lag beneden, precies de verkeerde kant op.
Dus snel weer terug. Langs de haastig omhoog rennende lichamen, die zich niets van mij aantrokken, blij als ze waren mij geen ruimte te hoeven gunnen.

Ter compensatie nam ik de ‘lage’. Om vooral niet voor niks tot sluitingstijd te zijn blijven hangen, aan de aandacht van m’n broers te zijn ontsnapt.
Ik nam de lage & zou gaan duiken. Niet springen; duiken! Niet recht ’t water in, maar m’n lichaam vooruit gericht. Zoals ik slechts uit stilstand durfde tot dan toe.
Ik liep rechtstreeks van de trap van de hoge naar de plank van de lage. Nam ’t korte trapje. Rende naar ’t uiteinde. Sprong. Stuiterde. Liet me afschieten door ’t wippende effect.
& Kwam plat op m’n buik terecht.

’t Gloeide, ’t brandde, ’t reet uiteen in Zijperspace.

Dit ihkv de 8e aflevering van de cursus Lijfloggen, die ik voor de laatst verschenen editie van about:blank geschreven heb.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *