proporties

Een enkele keer kom ik beelden tegen van vakanties. Ik dwaal dan rond over lege platte paden, & word omgeven door hoge bomen. Ik zie mezelf ’t hoofd in de nek gooien, om de hoogste pluim te kunnen onderscheiden tegen de donkerblauwe donderbuien die zich daarachter aankondigen. Ik puf m’n rugzak richting ’t volgende dorp, bedenk me waar m’n regenjas zou kunnen zitten, voor ’t geval dat, maar wil me toch nog 1 keer omdraaien om die ranke stammen ijzingwekkend zwabberend op de vooraankondiging van de storm te zien deinen. De buitenste ring van de groep bomen is relatief laag, maar naarmate de bomen meer in ’t centrum van de groep staan worden ze hoger & hoger. Ze zullen ’t wel overleven, weet ik, anders staan ze niet in zulke grote getale in dit voor de rest vlakke landschap.
Ik zie die beelden. Ik vraag er niet om. Onrustig loop ik onderwijl door m’n kamer. Waar niets die beelden lijkt op te roepen. Of ’t moeten de verticale stangen van de 6-koppige lamp zijn. Maar als ik vervolgens mezelf zie lopen over zanderige paden, overhangen door lage struikacgtige bomen, ’t vormt een dak boven m’n hoofd van wel kms lang, een doorstromend portaal dat leidt naar iets onbestemds, steeds als ik denk dat ’t einde zich aankondigt blijkt ’t weer een bocht in ’t pad te zijn, een zonnestraal door ’t gebladerte; als ik me daar zie lopen, weet ik dat ik wegdroom.

Ik ben ziek thuis. Te veel verlate christmaspudding in te korte tijd. Ik kwam de kerstverpakking in een vergeten hoekje tegen op een lui moment van geen zin om boterhammen te smeren. ’t Voelde van binnen al snel als zichzelf uitzettende rozijnen die als woekerende schimmels zo snel mogelijk de weg naar buiten weer willen vinden. Een boer komt omhoog & ik lijk mezelf te ruiken. Schakel m’n neus uit om ’t nagekomen bericht weer door te kunnen slikken & wrijf over m’n buik alsof ik de opstandige massa zalvend toespreek.
Ik zal me de hele dag binnen moeten gaan vermaken. Tv, boek, comp, maar dan de hele dag lang.

Ik blijk opeens nergens geduld meer voor te hebben. ’t Boek lukt slechts 10 minuten, tenzij ik mezelf weer in bed leg; de tv slechts als nederlanders op de schaats wereldkampioen kunnen worden; de comp staat er voor nutteloze dingen, waarmee ik me slechts vermaak omdat ’t m’n hoofd op nul zet. Alles is saai & toch vliegen de uren voorbij alsof de ochtend aan de avond vastgeplakt zit. Ik val 3 keer in slaap, maar niet vanwege ziek. Meer om m’n gedachtes weer in ’t gareel te krijgen. Tijdens de vluchtige dromen zweef ik weg naar lang vervlogen landschappen. Ik zou niet meer weten van waar & wanneer ik ze weghaal. Runen, hunebedden, inscripties, vertalingen. Vertalingen die ik m’n vader vertel. Ik lees voor in ’t zweeds, & vervang ’t daarna voor ’t nederlands. Mijn vader vertelt aan toevallige passanten in ’t engels hoe trots hij op z’n zoons is. & Glundert, zoals ik lang niet z’n wangen heb zien schijnen. Ik word wakker.

Terwijl ik opgesloten zit, als je ziek bent hoor je niet de deur uit te gaan, zeker niet als je collega’s voor je afwezigheid op hebben moeten draaien; terwijl de wereld nog kleiner is dan dat ik ‘m de laatste tijd voor mezelf geschapen heb, in mijn pogingen ‘m, uit eigen vrije wil, te beperken tot datgene dat noodzakelijk is, geen cm te veel, of anders in ieder geval geen minuut te lang; terwijl ik opgesloten zit in die 70 m² ruimte, zuigen verre vertes me naar buiten.
Ik stommel door ’t huis, van slaapkamer naar kachel, van bank naar keuken, van wasmachine naar prullenbak, ondertussen lastiggevallen door zandgronden, wandelpaden, scherenkusten, duinpannen. Ik hang de was binnen op aan een uitklapbaar rekje, & ipv dat ik zie dat ik ‘t met knijpers bevestig, staar ik naar handen die ooit een touwtje spanden tussen boom & tent. Ik vul m’n maag met een stukje chocola & stel me voor dat ik in ’t hooggebergte op een rotspunt muesli-koeken zit te verorberen, aangemoedigd door m’n vader (‘Helemaal opeten, want je hebt de energie nodig voor als we hoger willen komen’). Ik zit op een stoel voor de comp & realiseer me dat ik tijdens vakanties slechts zelden op stoelen zit, meer hang op een matje of met benen onder me gekruist in de opening van m’n tent op ’t tentzeil zit.

Gister kwam er een amerikaan de winkel binnen: ‘Hey, you’re in the new edition of All about beer,’ zei hij. ‘Er staat een groot artikel over nederlands bier in.’
‘Ah!’ reageer ik lichtelijk uitgelaten, ‘’’t Artikel is eindelijk geplaatst. Stond er een foto van mij bij?’
‘Well, dat kan ik me niet herinneren. Maar ik weet wel dat jouw gezicht aan de muur van een bierwinkel in Seattle hangt.’
‘Grappig dat je dat zegt. De man die een jaar geleden die foto nam heeft me 2 flesjes bier vanuit Seattle toegestuurd. Ze zijn net gisteren gearriveerd.’ & Ik laat ‘m de 2 flesjes bier zien.
‘That’s just showing how small the world is,’ zegt de amerikaan luid lachend terwijl hij op 1 van de flesjes wijst. ‘De brouwerij die dit bier brouwt staat bij mij om de hoek. Nog geen 4 mile van m’n huis.’

De wereld is klein, maar Zijperspace is een groot universum.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *