puinruimen (2)

Eigenlijk was dit ’t verhaal al.
Veel meer is er niet. De jongen waggelde naar boven, vlak voor me uit, ik gaf ‘m ondersteuning onder z’n armen, Kim greep af & toe naar z’n handen, om ‘m terug te dwingen de leuning vast te houden. Dat zou alles kunnen zijn. Misschien net iets meer.
Dan zou dat moeten zijn dat ik bij de deur stond.
Ik zei hem: ‘’t Is beter dat je in ieder geval even frisse lucht hapt.’
& Tegelijkertijd aanvaarde ik dat ook als een waarheid. Hij zou wakker worden als-ie buiten in de kou zou staan. Een koude ontnuchterende douche.

‘Waar is je jas?’ vroeg ik.
Ik besefte me dat ik die vraag al eerder had gesteld. Nu vroeg ik ’t op ’t moment dat we voor de uitgang stonden, even ervoor aan ’t begin van de trap.
‘Die hangt aan de kapstok.’
Ja, dat had-ie al eerder gezegd. Hij keek er ook zo bij. Alsof ik niets kon onthouden. Plotse heldere uitpuilende ogen. Een schuld van nuchterheid bij mij neerleggend.
Kim rende snel heen & weer. Trok ‘m niet veel later de jas aan.
‘Waar zijn je vrienden?’ ging ik buiten verder.
‘Weet ik niet.’
‘Een mobiel? Heb je een mobiel?’
Trage bewegingen richting broekzak.
‘Geef mij die anders even. Dan bel ik een vriend van je op. Ze kunnen je niet zomaar laten zitten, toch?’
Maar er zat geen kracht achter. Hij wilde niet genoeg. Z’n GSM bleef verborgen.
‘Ik moet hier even bijkomen,’ zei hij.
‘Ja, haal maar even diep adem. Dan word je nuchter. Of gooi ’t er anders allemaal uit.’
Dan ga ik ondertussen verder met schoonmaken, dacht ik erbij.
‘Ik kom zo wel bij je terug,’ zei ik & vertrok naar binnen.

Ik kwam terug. Hij zat ondertussen met z’n gat op de ijskoude grond.
‘Je moet lopen,’ zei ik. ‘Straks raak je nog onderkoeld. Waar zijn je vrienden?’
Wist-ie niet. Waar lijn 9 ging, dat wilde hij weten, of anders lijn 2, want daarmee was-ie hier aangekomen.
Ik wees de halte van lijn 9 aan.
‘Maar dan kan je beter een vriend bellen. Die kan je helpen. Je bent hier samen met vrienden gekomen. Dan moet je ook samen thuiskomen.´
´Lijn 2 ken ik trouwens niet,´ zei ik even later.
‘Laat mij anders bellen,’ stelde ik daarna voor.
‘Ik moet naar binnen,’ zei ik uiteindelijk, nadat-ie niet op m´n voorstel inging.

Dat was alles. Meer niet. Geen puin. Geen rommel. Misschien juist een enkele schaamhaar minder op de wc-rand, achtergebleven op zijn wang. Maar dat heb ik niet gecontroleerd. ’t Zou kunnen evengoed.
Hij was gewoon ’t volgende moment verdwenen. Toen ik weer kwam controleren of-ie niet in slaap was gevallen. Ik ben nog een blokkie om gegaan. Of er geen ingezakt figuur langs de kant van ’t gebouw lag.
Dat was alles. Meer niet.

Maar juist figuren die zijn verdwenen die blijven achtervolgen. Dat wat niet is gebeurd. Niet is voleindigd. Waar geen punt achter staat.
Hij kan de weg zijn gelopen die ik hem gewezen heb. Hij kan opgehaald zijn door een vriend die hij heeft gebeld. Hij kan in de bewuste tram in slaap zijn gevallen. Maar ook op een bankje even verderop, aan de kant van ´t water. Of in een portiek. Misschien had-ie uiteindelijk de euvele moed z’n vinger in de keel te steken. Of kwam de straffe wind hem te hulp & wist-ie weer waar-ie was.
Dat snap ik dus niet. Dat daar ’t verhaal begonnen is, waar-ie eigenlijk is geëindigd.

Ik herinner me de maan, een volle maan, die helder licht gaf, tussen 2 wolkenpartijen door. Op ’t moment dat ik op inspectie buiten was.
Ik dacht nog: ‘Die moet ik onthouden. Voor ’t geval dat ze bij me langs komen, om te vragen wat er met de jongen is gebeurd.’
Ik herinner me z’n jas. Hoe hij z’n handen met moeite in de mouwen kreeg, maar Kim nog even doorduwde.
Ik herinner me m’n t-shirt, waar geen kou doorheen leek te komen.
Ik herinner me m’n blik, een uur later, klaar van werk, op weg naar huis, naar de overkant van ’t water, speurend of er ergens op een bankje, toch nog……

Maar dat is ´t verhaal, niet meer dan dat, alles wat van hem rest in Zijperspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.