Sprankeldwang

De arts tegenover me vroeg me of ik drugs gebruikte. Of gebruikt had.
Daarna zou hij vast verder gaan met vragen over alcoholgebruik, maar ik beantwoordde vraag 1 daar al mee. Want alcohol was tenslotte ook een drug.
De 1e die me dat zo open & bloot had durven vertellen was Juffrouw Küppers, conrectrice (later zou die functie ook voor haar conrector gaan heten) & non (dat bleef eeuwig ‘tzelfde) in één lichaam verenigd. Ze bleek zelfs de moed te hebben te melden dat hasj & wiet softdrugs waren in tegenstelling tot alcohol.
Ik ben daardoor dus jarenlang enigszins voorzichtig met alcohol omgegaan, waar ik mijn softdrugsgebruik pas stopzette toen ik merkte dat daar mijn langzaam opbouwende paranoia vandaan was gekomen.

Ik vertelde de man tegenover me dat ik meer dan 25 jaar in ’t biervak had gezeten & dat bier drinken daar automatisch mee gepaard gaat. Momenteel 6 consumpties per dag; ik hou tegenwoordig de tel bij. & Dat ik vermoedde dat alcohol me kalmer maakt, socialer bovendien, maar dat tegelijkertijd de oorzaak van dit verschijnsel ’t er waarschijnlijk tevens voor zorgt dat ik er niet van houd door dronkenschap de controle te verliezen.
‘Komt ’t wel eens voor dat je zo rond 10 uur al een drankje neemt?’ vroeg de arts evengoed.
‘Nee,’ lachte ik, ‘ik zeg altijd dat de 3 in de klok moet zitten voordat ik begin.’
‘Er zit een 3 in 3 over 8.’
‘Dat was mijn grapje!’

Ik ben er in de loop der jaren achter gekomen dat een goed gesprek opgebouwd is uit momenten van onverwacht. ’t Moet je op je gemak stellen, een vertrouwde omgeving zijn, maar ’t wordt pas echt een belevenis als er 1 (of meer) onvoorspelbaarheid in voorkomt.
Een tekst evenzo.
Daarom zijn de openingszinnen zo verdomde moeilijk. Want dat is juist ’t moment dat de lezer verwacht 1st op z’n gemak gesteld te worden, een beetje licht in ’t nog onvertelde verhaal te zien gloren. Maar een goed begin dient dat tegelijkertijd tegen te spreken door een verrassing te presenteren.

Ik heb dagen dat er openingszinnen door m’n hoofd zingen. Uitschrijvend, schrappend, volgorde omgooiend, om dan uiteindelijk te denken dat ik daar wel wat mee kan.
Maar net op dat moment geen toetsenbord op voorraad. Dat uitschrijven & schrappen moet je bij mij niet letterlijk nemen.

Dus thuisgekomen achter m’n beeldscherm herbeginnen. Inmiddels de ervaring rijk dat mijn geheugen juist niet wil onthouden waarvan ik van ‘m wens dat wel te doen.

Daar komt de sprankeldwang om de hoek kijken. Vermomd in dorstig bier. ’t Beeld zat al in m’n hoofd nog voordat ik op de bureaustoel had plaatsgenomen, eigenwijs negerend dat ’t er toch van moest komen. ’t Prikkelende, verfrissende, de hop, de volheid van de mout. & M’n hoofd die voelt dat alcohol dat alles begeleidt, maar na de slokdarm een dwarsweg afslaat richting vervluchtiging, vervoering zo men wil.
Even wordt de somberheid verlaten, de verdoving ingezet, ’t niet meer kunnen voelen dat er eigenlijk niets van fantasie, originaliteit of talent aanwezig is in m’n geest.
Er daagt zelfs heel overmoedig ’t idee dat er iets is dat verteld moet worden, iets wat al een tijd in mij aanwezig was, maar dat de kaars was uitgewaaid & de tast van m’n vingers gevoelloos.

’t Optimisme doet z’n herintrede, overigens zonder dat ik ’t merk; ik ben een machine geworden gevoed met energie van enkele slokken gelegen in bier vermomde alcohol & gestuurd & gestuwd door de plots juiste woorden van van boven naar beneden richting vingers.

& Op de betere dagen, een enkele keer, heb ik niet meer dan de ochtend nodig.

& Komt ’t als vanzelf goed in Zijperspace.

Eén reactie op “Sprankeldwang”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *