Stageverslag

Als er iets is wat ik (wederom) geleerd heb van de drie keer dat ik meeliep met de Plantenwerkgroep, is ’t wel dat ik goed moet opletten, aandachtig moet luisteren en vooral ook notities moet maken. Een zeer ouderwetse conclusie, zeer intro-pedagogisch (als dat woord bestaat), maar ’t lijkt wel degelijk op mij van toepassing te zijn.

Alleen al de poging aan te komen op de plek van de eerste afspraak gaf al aan dat bovenstaande op waarheid is gestoeld. ’t Was een geluk dat Tineke bij me was, anders was ik vermist geraakt en had de Plantenwerkgroep mij nooit meer terug gezien.
Ik let niet op, raak snel afgeleid en ’t kost me grote moeite mezelf te dwingen aantekeningen te maken.
Daarnaast ben ik bovendien vergeetachtig. Dat helpt ook niet.

Om ’t handig aan te pakken, we zagen de zojuist aangehaalde bui al hangen, besloten Tineke en ik bij de eerste bijeenkomst aan de Beneluxbaan dat zij de notities zou maken en ik de foto’s. Dat leverde na afloop, naast veel namen die aan nog iets meer foto’s gekoppeld moesten worden, ook verdere conversaties tussen ons tweeën op.
Bijv over waar we een plant eerder hadden gezien, wat de een aan informatie gemist had en de ander niet, hoe we gemakkelijk zouden kunnen onthouden dat dit die & die plant was, en wat dies meer zij.
Al vaker heb ik moeten constateren dat een cursus samen met je partner volgen (bijna) alleen maar voordelen oplevert.

’t Verbaasde me tijdens ’t slenteren en speuren door de bermen langs de Beneluxbaan dat er zo’n grote verscheidenheid aan planten te vinden was. Maar toen ik een paar dagen later de lezing bijwoonde over de Ratelaar, gehouden door de man die zo’n beetje verantwoordelijk is voor alles wat langs de kant van de weg in Amstelveen (en niet alleen
dat) groeit, begon ik te begrijpen dat een berm toch ietwat artificieel geconstrueerd van samenstelling is.
Mijn verhaal tegenover Tineke dat de bewuste berm behoorde tot de Klasse van Natte
Strooiselruigte, wijsheid opgedaan dankzij m’n stuk dat ik over ’t Koninginnekruid had moeten schrijven, viel dankzij die ratelaarlezing ook behoorlijk in duigen.
Natuur is gewoon niet zo spontaan als we wel eens geneigd zijn te geloven bij ’t zien van al die mooie schijnbaar wanordelijk bloeiende planten.

Maar nou blijf ik te veel hangen bij die eerste bijeenkomst van de Plantenwerkgroep.
De tweede meeting was aan de Bovenkerkerweg. Wederom berm, maar van een heel andere samenstelling dan aan de Beneluxbaan.
Mocht ik bij die eerste keer nog genieten van restjes erfgoed die m’n vader ooit in m’n geheugen had geplant, waardoor ik redelijk wat wist te benoemen (zachtjes fluisterend in ’t oor van Tineke, om vooral niet te vaak een flater te slaan bij fout), stond ik nu flabbergasted (puur voor de alliteratieve schoonheid) over ’t feit dat ik werkelijk geen idee had van ’t bestaan van de meeste planten. Van sommige namen wel, maar van hun verschijningsvorm niet. Grote lacunes werden opgevuld door Bolderik, Grijskruid, Wede, Knoopkruid, Krulzuring, Wouwen (enkelvoud of meervoud, ik kom daar niet achter in m’n aantekeningen), Karthuizer Anjer, Paarse Morgenster, Honds- en de Slangentong, Kompassla en de Wilde Reseda. Groot voordeel: een weidsheid aan fantasieën ligt voor ’t grijpen bij alleen al ’t zien van die tot de verbeelding sprekende namen. Neem nou Kompassla (een plant wiens naam me heel vertrouwd deed denken aan een brouwerij in Bamberg: die kon ik dus nimmer meer vergeten); zonder naar de foto te kijken die ik daarvan genomen heb, ben ik geneigd te denken dat zijn bladeren en masse richting ’t noorden willen groeien en dat daardoor vele mensen in ’t verleden hun weg terug naar huis hebben gevonden.

De derde keer dat ik aanwezig mocht zijn bij de Plantenwerkgroep ontmoetten we elkaar bij de ingang van ’t Vogeleiland in ’t Amsterdamse Bos. Vreemd genoeg zegt de aantekening die ik daar ijverig heb zitten vullen met plantennamen vandaag niet meer dan Glitkruid. En dat terwijl we die avond heel wat meer zijn tegengekomen. Ik kan me nog
wel Beemd- en Donker Ooievaarsbek, Vingerhoedskruid herinneren, maar voor de rest zal ik dankzij m’n eerder genoemde vergeetachtigheid wel heel diep moeten graven.
Gelukkig heb ik me bij thuiskomst nog wel verdiept in de naam die een aangetroffen stervende hommel zou kunnen dragen (Weidehommel) en de gallen die we op de Walnoot (veroorzaakt door de Okkernootviltmijt) en de Sleedoorn (zeer verrassend heet de veroorzaker hierbij de Sleedoornmijt) vonden, maar ik geloof dat ik vooral voor dat laatste een eigen werkgroep zal moeten opzetten.

’t Vermoeden rijst dat dit ’t enige stageverslag is dat te vinden zal zijn in Zijperspace.
(Eerder opgeschreven tbv ’t behalen van ’t IVN-Natuurgidsenvignet in ’t jaar 2016)

2 Antwoorden op “Stageverslag”

    1. In de periode dat ik dit verslag schreef, had ik nog vlagen van dyslexie. Daar heb ik me van laten genezen door diverse kruiden toe te passen.
      Bijwerking van die kruiden is wel dat je van alles bij elkaar gaat fantaseren & er een sterk een behoefte ontstaat om dat te delen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *