tijdelijk (vervolg van hieronder)

We zaten in een ½e kring. Op banken met zachte kussens. Op sommige plekken de brandgaten reeds, van kruimels brandende stuff. De wanden werden traag vergeeld van de walmen rook.
Naast me zat Wemmeke, tegenover me haar vriendin. Die laatste lachte. Ze vond alles grappig wat ik zei. Ik had ’t idee dat ik kon zien dat ze ’t buiten onze ontmoetingen over me hadden. Ik werd besproken, & achteraf getoetst.
Ik wist alleen niet waar m’n rol op neer kwam. Welke rol had ik? Op de achtergrond speelde er iets, wat verzwegen werd; naar ik vermoedde, niet bewust, een man.
Als de toon van zorgen te veel boven kwam drijven, ik m’n vraag mocht stellen over hoe ’t ging, werd er ’t zwakzinnige broertje bijgehaald. Agressie, geweld, vermoeide ouders, & geen oplossing voor opvang. Hoe ’t kleinere zusje Wemmeke de grotere broer moest opvoeden.
Er werd verzwegen door de verkeerde verhalen te vertellen. Ik kon ’t ook aflezen aan de glimlach van de vriendin. Die stond anders.

In de loop van de avond kwam er wel ‘ns iemand aanzitten. Z’n eigen bakje thee meenemend. Een joint een enkele keer.
Ik mocht niet te veel roken. Ik moest overzicht zien te houden. Uitkijken voor de paranoia die ik nog maar net deels van me afgeschud had. Bovendien was ik in afwachting van behandeling. Bij ’t Riagg was men druk aan ’t overleggen waar ik naartoe gestuurd moest worden.
Maar een joint sloeg je niet af. Als ’t zich aandeed als iemand die gezellig aan kwam zitten. Een praatje, een jointje, een bakje thee van je eigen geld, koekjes voor de vriendin.
Dick vertelde over platen, net aangeschaft.
Oud-klasgenoten over hun nieuwe studieplannen.
Vreemden over hun laatste trip.
Theo over z’n nieuwe coffeeshop.
Mark over Julianadorp.

Er was nog iemand. Een jongen van net 18 jaar. Hij was net begonnen met blowen, vertelde hij toen-ie erbij kwam zitten. Daarvoor had-ie z’n tijd anders besteed. Hij vond ’t een fantastische ontdekking, ’t blowen. Of we de nieuwe weed al geprobeerd hadden, vroeg-ie ook.
Dat ging door. Wemmeke & ik zaten stijf achterover. Er was inbreuk gepleegd op onze poging dichter naar elkaar toe te komen. Alsof we betrapt waren. Of dat ’t elk moment zou kunnen gebeuren.
Vriendin lachte evengoed. Liet zich alle verhalen aanleunen. Af & toe een blik naar ons, waar geen contact meer uit sprak. Geen poging meer contact te maken. Handen stijf langs ’t lichaam, hooguit een vinger door ’t oor van de kop thee, geen onopzettelijke aanrakingen die stiekem plaatsvonden.
’t Kwam als een vloedgolf over ons. Een waas van de echte wereld kwam tot ons, want we waren koortsachtig bezig ‘t contact te herstellen, maar werden daar steeds in gestoord door de niet aflatende waterval van woorden van de jongen die ’t blowen net ontdekt had.
Hij had een motor, vertelde hij, van z’n vader gekregen op z’n 13e. Helemaal uit elkaar gehaald. Bleek ’t slechts een tuitje, een toetertje of een tuutje te zijn. Hij scheurde daarmee over ’t strand, politie achter ‘m aan. Besloot daarom terug te gaan naar Hypolytushoef, mooie vrouwen daar, in ’t hoogseizoen. Die vrouwen die wilden alleen maar, heel anders dan hier in Den Helder. ’t Plein in ’t midden, de patatzaak met brommers, maar dat was voor kleine jongens, wist-ie ondertussen. Hij ging liever naar de camping in de buurt. Kratje bier mee achterop, dan leerde je vanzelf wel mensen kennen. Dat deed-ie vroeger: veel drinken; sinds hij de joint had ontdekt, vooral de weed, was-ie anders geworden. Want je moest bewust met de wereld omgaan. Altijd zuiver & met geweten, had-ie pas van een nieuwe vriend geleerd. Die gozer dealde in stuff, daarom kreeg hij ’t ook goedkoop. ’t Liefst kocht-ie dan een plak. Dan kon z’n vader er ook van meegenieten. Die betaalde dan de helft, dan had-ie de hele maand geen last van hem.
Vonden wij dat ook niet? maakte hij ons wakker, dat ouderen allemaal zouden moeten blowen, dan zou ’t veel relaxter worden, weet je wel.

Hij had me wakker, ook al zat ik in de roes van 2 haaltjes. Een band had zich om m’n hoofd gevormd, zette de huid strak, deden m’n haren rechtovereind staan, m’n oren hingen ½ lui aan de onderkant van m’n wangen, m’n kin kon nog net de zwaartekracht overwinnen, zodoende m’n mond dicht te dwingen, zolang de niet-aflatende stroom woorden niet gestelpt kon worden.
‘Kan je niet even stil zijn?’ hoorde ik Wemmeke naast me zeggen.
Ik keek opzij. Verbaasd over hoe makkelijk een zinnetje kan zijn, hoe eenvoudig ’t is een boodschap over te brengen. Men hoeft slechts z’n mond open te doen & er uit te laten komen wat zich in ’t hoofd heeft gevormd.
’t Leek alleen niet tot de jongen door te dringen. Hij vertelde verder over de reizen die hij in z’n 1tje had ondernomen naar ’t buitenland, met in z’n rugzak een dikke plak stuff, die hij grotendeels verkocht had aan vet betalende spaanse jongeren.
‘Heb je niet verstaan wat zij daarnet zei?’ kwam plots uit mijn mond tevoorschijn, waarbij ik tegen z’n elleboog schudde, als om hem ook wakker te maken. ‘Heb je niet gehoord wat zij daarnet zei? We zouden ’t prettig vinden als je eens je mond hield. We zitten hier al een hele tijd, gezellig met z’n 3-en, & opeens kom jij er ongevraagd bijzitten. Om te vertellen over je vader, je stuff, je ervaringen, allemaal dingen die ons de ballen interesseren, waar we niks mee te maken willen hebben. We willen niets van je weten. We willen dat je weg bent. Eigenlijk zou ik moeten zeggen dat we zouden willen dat je nooit had bestaan, dat dat stonede gevoel dat we hadden omgekeerd is in een nachtmerrie sinds we ontdekt hebben dat er mensen als jij op de wereld bestaan. We worden doodmoe door ’t aan 1 stuk door open & dicht trekken van je mond, met ’t bijbehorende probleem dat er dan ook nog geluid uit komt, geluid die zich laat karakteriseren als spraak, maar in dit geval spraak waar wij helemaal niet gediend van zijn. Of als dat nog niet duidelijk is: we willen helemaal jouw stem niet horen. We willen hier met z’n 3-en praten, rustig, gezellig, af & toe een slokje thee nemend, maar niet die continue stroom van gebazel van jou. Dus sta op, pak ’t koekje van je schoteltje, geef dat aan haar & ga ergens in een hoek zitten grienen omdat je blijkbaar niet in staat bent een normale conversatie te voeren. Ik wil je niet meer zien.’

’t Kwam er in 1 keer uit.
& Terwijl ik sprak zag ik de schouders van de jongen dieper zakken. Hij stond uiteindelijk op, liet z’n kopje thee staan, & ging aan de bar zitten.
Bij ons was ’t stil.

We zijn nog een paar maal in de coffeeshop geweest. Vrij snel na ‘t voorval werd echter toch duidelijk dat Wemmeke een vriend had. Wonend in Amsterdam. Maar in een weekend liet-ie z’n gezicht in Den Helder zien. Ik bleek ‘m te kennen.
Ik werd doorverwezen door ’t Riagg. Durfde op een gegeven moment niet meer de straat op. Slikte pillen om die angst & nog enkele andere voor korte tijden kwijt te zijn.
Wemmeke vertrok naar Amsterdam toen zij haar avondschool af had. Korte tijd later haar vriendin ook. Die kwam ik jaren later daar op straat tegen. Wemmeke slechts 1 keer in ’t voorbijgaan. Ik had van haar vriendin gehoord dat ze met haar verleden had gebroken & daarom zichzelf een andere naam had aangemeten. Ik wist niet hoe ik haar aan moest roepen toen ik voorbijging, dus fietste ik door.

Eigenlijk had alles ‘tzelfde moeten blijven in Zijperspace, bedacht ik toen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.