Verlatingsdagboek XVII

Ik ben bang dat ik een broer ben. Een broer van minstens 6. Waarvan in ieder geval 1 is overleden.
Maar toch blijft ’t minstens 6.
We weten niet waar een broer eindigt. Noch waar hij begint.
Zo’n ding laat evengoed z’n sporen na.
Ik neem ’t ze nog steeds allemaal kwalijk. Kwalijk neem ik ’t ze nog steeds. Allemaal. Ook in die volgorde. Jong naar oud. & Andersom.
Waar ben ik & wie zijn zij. Waarbij een vraagteken verkeerd geplaatst zou zijn. Vraagtekens bestaan niet tussen broers. Dat hoort niet, zijn we niet mee opgevoed.
Alles is zoals ’t is sinds je geboren is.
Ze worden echter wel steeds groter. Die broers. & Ze gaan vraagtekens bij jou stellen.
De verwachting ook van andersom.

Ik ben geen broer. Ik heb me er alleen toe laten veroordelen. & Geconformeerd.
& Toen ik daar was, waar broers horen te zijn als ze familie blijken te zijn geworden, toen ging er 1 dood.

Ik ben een huppelend kindje dat net iets te veel aandacht vroeg voor ’t draaiend beeld dat m’n vader hanteerde. Iedereen lachte, vol in beeld, & iedereen kon terug lachen omdat ’t elke verjaardag opnieuw getoond werd.

& M’n broer, die dood is, zag dat hij iets in te halen had. Danspasjes of iets dergelijks.
Ik had inmiddels niets meer te winnen. ’t Huppelen op de dansvloer allang voorbij.

Ik ben een broer zonder broers. Ik heb een vrouw zonder vrouw. Ik heb mezelf.

Hier ben ik Zijperspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *