vrijdagochtendboodschap

‘Lekker rustig, hè, hier?’ klinkt er opeens van achter.
Ik kijk om. Een man met een kaal hoofd, enkele haren dwars over z’n kruin gedrapeerd.
Ik word nooit aangesproken in de supermarkt. Wil ook nooit aangesproken worden. ’t Kassameisje hoort me gedag te zeggen, bedankt, asjeblieft, maar voor de rest blijven ze verbaal van me af. Iedereen, behalve degene aan wie ik de weg naar de afdeling suiker vraag.
& Dat vooral op vrijdagochtend, als ik helemaal geen boodschappen wil doen. Want de wereld wordt dan opeens zo gehaast, er is geen tijd meer voor de rest. Zeker niet als ik in de rij voor de kassa moet gaan nadenken over wat er achter me gezegd wordt.
‘Ja, da’s altijd zo in de ochtend,’ reageer ik voor ik zelf door heb dat m’n mond zich heeft geopend.
Dit zijn de gevaarlijke situaties, besef ik me tegelijkertijd. Hier nodig je mensen uit verder te gaan. Waar Hansje Brinker daarnet nog de rest van z’n leven de vinger in de dijk hield, om ons te behoeden voor ’t doorbreken des zondvloeds, heb ik met m’n reactie ervoor gezorgd dat ’t gaatje van ’t praatje een stortvloed van onzinnige informatie uit de scheur van de man achter me kan worden.
‘Heel wat anders dan bij C1000,’ begint de man al.
Ik draai m’n hoofd weer naar voren. Vol van berouw. Ik had zo geduldig onbekommerd kunnen kijken naar de moeder die voor me stond. Met de ene hand de boodschappen uit ’t mandje ladend, daarbij gestoord door ’t doorrollen van de lopende band (ik wilde nog zeggen dat die alleen bestemd was voor de boodschappen, niet voor de mandjes, maar bedacht bijtijds dat ’t vrijdagochtend was & m’n mond gesnoerd moest blijven tot ik me veilig op m’n werk bevond), met de andere steeds weer proberend haar zomers hesje zorgvuldig te draperen óver de frivole randjes van haar bh.
’t Onbenul, dacht ik, om te denken dat ik überhaupt naar haar zou willen kijken, terwijl ik o zo makkelijk tot voorbij haar navel kan staren zogauw ze haar kind vooroverbuigend corrigeert dat steeds weer scheef voor mij in de kinderwagen hangt.
De man gaat echter door.
‘Ja, die C1000 is bij mij om de hoek, maar daar staan ze nu in de rij, terwijl je hier heerlijk de ruimte hebt.’
Hij praat geen punten, hij heeft hooguit komma’s in z’n zinnen, zichzelf de kans niet gunnend te horen of er gereageerd wordt, een enkele pauze inlassend om adem richting longen te voeren.
Terwijl er toch wel degelijk respons is. Want vlak voor ‘m staat de persoon tot wie hij zich gericht had, zijnde mijn persoon, te hummen, een knikje gevend, minzaam lachend, ook dat is communicatie, maar vooral met de gekeerde lichaamshouding, die eigenlijk niet in de rijvolgorde richting kassa past, zich openstellend voor de mogelijke conversatie.
‘Mogelijk’. Dat is slechts wat m’n lichaam middels z’n houding zegt. M’n geest beweert anders, maar mist de wapens om z’n mening kracht bij te zetten & de man z’n mond te snoeren. ’t Enige wat ‘m rest is m’n lichaam bij tijd & wijle te dwingen richting kassa te wenden om te kijken of ’t al tijd is de boodschappen uit te stallen. Maar ’t pontificale mandje van de moeder neemt nog altijd onnodig veel ruimte van de lopende band in beslag.
Ik sta opzij. Af & toe m’n hoofd richting woordenstroom kerend. Ik ben er bijna, bijna kan ik m’n boodschappen kwijt. De moeder hoeft alleen nog maar de lolly uit haar zoons mond te halen & ’t boodschappenmandje in de stapel onder de kassa te plaatsen. Ik sta zelfs dermate opzij dat de dame die plots van achteren roept of ze even mag passeren zonder problemen aan mij voorbijgaat. De heer die z’n mond ondertussen volheeft van de klantenkaart van C1000 & de bonuskaart van Albert Heijn heeft echter meer moeite om te begrijpen wat de plots opdoemende vrouw wil.
Hij is nog druk bezig: ‘Ja, ’t is best een leuke winkel hoor, C1000, maar hier kan je tenminste overal bij, op vrijdagochtend. Moet je wel je bonuskaart meenemen, dat is dan wel belangrijk, want zonder bonuskaart ben je niets. Anders betaal je gewoon te veel. Vindt u niet, meneer?’
‘Ik weet ’t niet,’ mompel ik, ‘ik kom nooit bij C1000,’ vlak voordat de dame van achteren zich aandient.
‘Mag ik even passeren?’
De man kijkt verbouwereerd. & Ik doe slechts een stap opzij. Minder dan een stap. M’n schouders bewegen gewoon een stukje richting kassa & ik ga dwars staan ipv recht vooruit.
‘Ha, meisje,’ klinkt er opeens uit z’n mond als ze al ver voorbij ons beiden is gedrongen, ‘je wou er langs?’
Ze keert zich om, om te kijken waar die vrolijke stem vandaan komt. Ze glimlacht alsof ze iets brutaals heeft gedaan.
‘Bij mij mag je er altijd langs, hoor, dame,’ gaat de man verder. ‘Hoe gaat ’t met je?’
Ik plaats m’n boodschappen op de band. Eindelijk. Buk voorover om m’n mandje op de juiste plaats te zetten. & Vervolg ’t uitladen vanuit een nog comfortabelere houding.
Ze lacht dat ’t goed gaat: ‘U ook?’
‘Ja, hoor,’ tettert ’t in m’n oor.
Met wat gegnuif er achteraan. In m’n ooghoeken zie ik ‘m om zich heen kijken of anderen wel gehoord hebben wat hij allemaal heeft durven zeggen.
Maar naast ’t gnuiven is-ie voor de rest stil. Ik zeg ondertussen de kassajuffrouw gedag.
‘Goedendag.’
Om weer ‘ns geen reactie terug te krijgen.

Maar ’t is wel vaker stil in Zijperspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.