wederkeer

Vanuit Breda nam ik de trein die mij via Rotterdam naar Amsterdam zou leiden. Ik had ook die van Den Bosch kunnen nemen, maar dat deed ik niet. Kwam net minder goed uit, weliswaar slechts 1 minuut langer zitten, maar daarnaast 3 minuten later vertrekken. Doorslaggevend.
Hugh & Marlies brachten me tot aan ’t perron.
‘Ik kan in Rotterdam ook uitstappen om daar wat te gaan doen,’bedacht ik hardop. ‘Weten jullie iets?’
Geen suggesties tot ’t oog van Marlies op de poster van de Kunsthal viel: Impressionisme; Meesterstukken uit de Fondation Corboud.
Ze zwaaiden me gedag terwijl m’n trein ’t station uitreed. Ik was op weg naar Rotterdam.

Ik wist de weg naar de Kunsthal. Ik had al ‘ns eerder overwogen daar naar binnen te gaan. Boijmans Van Beuningen bleek toen dicht. Om de hoek lag de Kunsthal. Maar ’t was niet iets wat ik in m’n hoofd had. ’t Stond me niet aan, zo plots m’n oorspronkelijke plannen aan de kant te schuiven. Ik ben niet besluitvaardig genoeg als ik in m’n 1tje ben.

Ik liep ’t station uit zoals ik wel vaker ’t station had verlaten. Lopend, de weg afsnijdend, achteromkijkend of er geen tram aankwam. Koud, guur. Richting de Nieuwe Binnenweg, waar m’n logeeradres jaren geleden zich bevond. Daar moest ik nu niet aan denken, ook al was ’t filmfestival in volle gang: ik was gekomen voor iets anders.
Ik passeerde de straat die vergeven was van toko’s. Een straat vol eten, genoeg voor de hongerige studentenmagen, die geen tijd & geld hadden voor andersoortig voedsel, vanwege de films die bekeken moesten worden.

Boijmans Van Beuningen had weer ‘ns z’n ingang verlegd. Uit onzekerheid liep ik die meteen maar voorbij. Een ingang is al een levensgrote drempel om te nemen. Verlegt men die ingang, dan wordt de drempel een obstakel. Onneembaar.
Nonchalant, ik moest ondertussen tevens in de gaten houden of m’n gedragingen niet te veel opvielen (Wie is die jongen? Waarom loopt-ie zo twijfelachtig? Hij gedraagt zich raar. Of in ieder geval onzeker. Durft-ie geen kunst te kijken?), nam ik ’t pad door ’t park, beschouwde de beelden, liep over een brug die z’n funktie van brug slechts in z’n vorm moest bewijzen, maar niet in ’t overbruggen van iets, & arriveerde bij de Kunsthal.
Waar ik niet meer durfde.
Ik poogde nog naar de prijzen te kijken; misschien kon ik daarin m’n motivatie hervinden; misschien kon ik daarin de gelegitimeerde reden vinden om toch maar niet te gaan; maar zag slechts prijzen, bevestiging noch ontkenning van mijn gedrag was aanwezig. Ik ben een lafaard.

Ik was eigenlijk gekomen om Rotterdam te herbeleven. Rotterdam Filmfestival. Had ik net besloten. Op ’t moment dat ik m’n rug keerde naar de Kunsthal. Ferme passen stapte ik terug. Ik zag er goed genoeg uit om tot ’t filmfestival-publiek te behoren. Ik paste daar vast wel weer in. Mijn uiterlijk was geschapen om als filmadept door ’t leven te gaan. Kijken of ik nog oude bekenden tegen zou kunnen komen. Onder ’t genot van een biertje aan 1 van de barren van de bioscopen. Ik wist vast nog wel hoe ik me moest gedragen, na ooit daadwerkelijk vast onderdeel te zijn geweest van ’t festivalpubliek.

De akelige deuren van Lantaren/Venster waren nog steeds dezelfde: weinig grip om de deur naar je toe te trekken. Een geluk dat ik naar binnen moest. Schuw wierp ik een blik op de cassière in ’t hokje, hoewel ik wist dat ik dat juist niet moest doen. Zelfverzekerd doorlopen maakte me tot reguliere bezoeker. Onmiddellijk richting theatercafé benen. Daar aangekomen zoekend naar gezichten achter blaadjes. Programmablaadjes. Men moet dan wel ’t café-gedeelte aanschouwen, ’t publiek daar gezeten recht in de bek kijken. Je bent dan immers op zoek naar een bekende. Waarvoor zou men anders hier terechtkomen?
Ik wist me echter niet de juiste houding te geven & liep meteen door naar de wc. Ook nog steeds op dezelfde plek als 8 jaar geleden. Bepaalde dingen waren nog steeds vertrouwd. Ik voelde me alleen een indringer.
Ik deed m’n plasje & liep naar buiten. Voorbij de cassière, die nog steeds geen aandacht voor mij wilde opbrengen.

Ik liep langs div bioscopen, waar we ooit in de rij hadden gestaan; passeerde ’t Hilton, waar we met scenaristen, regisseurs & filmcritici hadden staan praten & filmposters van de muren hadden gejat; zag gebouwen waar we per abuis in terecht waren gekomen; schoof voorbij eettentjes waar ’t meeste geld onnodig uit m’n zak werd geklopt; & vond m’n weg terug naar ’t station.

Terug in Amsterdam, terug in m’n stamkroeg. Amber stond achter de bar. Ik hoorde iemand een opmerking maken over Rotterdam. Oja, Amber deed nu Film & Tv-wetenschap.
‘Moest jij niet naar ’t Filmfestival?’ vroeg ik.
‘Nee, ik had er geen tijd voor. Bijna niemand van de studie gaat.’
‘Kunnen jullie dan geen goedkope kaartjes krijgen?’
‘Nee. Bovendien hebben we deze week allemaal tentamens.’
‘Ah. Ze houden nog steeds geen rekening met ’t belangrijkste festival voor de student Film & Tv-wetenschap.’
‘Is ’t leuker dan ’t IDFA?’
‘Véél leuker. We logeerden daar allemaal, een week lang. Een groep van een man of 20. Verspreid over de stad. Ik zou zo weer heengaan als ik wist dat er zij er ook waren.’

Maar Zijperspace heeft allang niet meer dezelfde bewoners.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.