#*&#)+*!

Ik heb ’t over geweld. Maar ik vergis me waar ik denk dat ik zelf de dader ben.
Als je iemand een trap geeft, al dan niet tegen z’n achterste, gemikt, gemist, bedoeld of onbedoeld, maar met flinke kracht… Hmm, dan voldoe ik, sinds gister.
Ik ben onderdeel geworden van een gigantische club van mannen.

Altijd mannen. Waar blijft de 1e vrouwelijke massamoordenaar?

Een trap. Dat was wat die andere man had verdiend. Of eigenlijk 2.
Misschien wel 3, maar ik kan niet meer bij de details. Er waren te veel dingen waar ik me op dat moment op moest concentreren.
Ik had me er 1st van overtuigd, waarschijnlijk in luttele seconden, de tijd swingt nu ineen/uiteen als een harmonica, dat de situatie veilig genoeg was om te trappen.

Rick vroeg achteraf: ‘Vond je niet dat ik je een goede back-up gaf?’
We lachten. Ontlading. Er moesten zo snel mogelijk grappen over gemaakt worden, afgewisseld met korte samenvattingen van ’t gebeurde, steeds bezien vanuit een andere hoek.
‘Ja,’ reageerde ik, ‘da’s ’t voordeel van een barman zijn: je ziet als vanzelf of je collega achter je staat. In m’n ooghoek hou ik in de gaten of er iemand is om bij te springen.’

Ik weet dat ik overwogen heb om m’n rechtervuist te gebruiken. Ik heb daar alleen geen ervaring in. Waar richt je op?
Misschien zouden m’n knokkels er wel van kapot gaan. Stel je voor dat-ie weg zou duiken. & Eigenlijk was ik ook ongerust dat ik er dagenlang last van zou blijven hebben.
Een vuist maakt ’t ook allemaal zo persoonlijk. Zeker in vergelijking met een trap.
Met een trap tegen z’n reet vertel ik ‘m dat-ie zo snel mogelijk weg moet zijn. Ik wijs ’t pad dat-ie moet gaan.

Dus terug zittend op de bank, ditmaal m’n rugzak veilig tussen ons in geplaatst, vertel ik Rick dat ’t minstens 20 jaar geleden is dat ik geweld heb gebruikt.
& De plaatjes van een klap in iemands gezicht komen te voorschijn. De vervelende kunstenaar die elke keer weer overlast bezorgde in ’t jongerencentrum.

Pas een dag later (nu) dringt ’t tot me door dat ik degene was die de klap kreeg. M’n oren tuterden nog lang na.
We hadden ‘m naar beneden geduwd. Maar hij had zich over de trapleuning laten kletteren. Hij rende weer omhoog om iemand een klap te geven.
Dat was ik.
Dat-ie van de trap viel was geen bedoeld geweld. ’t Was z’n eigen onstuimigheid. Dronkemansevenwicht.

& De man die een glas op m’n hoofd had willen laten vallen, die heb ik ook niet nagetrapt toen hij voor me weg probeerde te vluchten.
Ik wilde wel, maar ik zag opeens dat-ie dan over dat bejaarde stelletje voor hem heen zou vallen.

Nee, er komt maar 1 vuistslag voor in mijn carriëre. Een vuistslag die volgde op 10-tallen klappen in m’n gezicht.
1 Van die platte handen kwam verdovend hard op m’n linkeroor terecht. Toen veranderde m’n hand als vanzelf in een knuist. & Stopte m’n toenmalige vriendin eindelijk met haar gekrijs.

Da’s al de fysieke aggressie die ik tot nu toe heb geboden.
Ik reken m’n jeugd niet mee. Broers waren er toendertijd om mishandeld te worden. & Andersom. Zo gingen we nou 1maal met elkaar om zolang onze ouders nog niet ingegrepen hadden.

Ik zie de mensen zitten die op de verschillende terrasjes alles hadden kunnen meemaken. Ik kijk of ze me beschuldigend aankijken. Ik concentreer me op m’n onschuld, probeer ze met m’n gedachten in te seinen dat ik aan de goede kant stond. Ik was niet de tasjesdief.
& Ik zet die rugzak dus ditmaal tussen Rick & mij in.

Wat moest-ie eigenlijk met biershirts & maagzuurremmers uit Zijperspace?

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.