abcoude-breukelen

Ik was m’n richtinggevoel aan ’t aftasten of ik wel de goede weg zou nemen als ik linksaf zou slaan. Ik herkende ’t café-restaurant wel (‘Hier heb ik ooit gevraagd of ik naar de wc mocht, heb een gulden neergelegd uit dank voor de welwillendheid & er aan toegevoegd dat de barman ook ‘nee’ had kunnen antwoorden op m’n vraag.’), maar wist ’t vervolg van m’n geplande route niet zeker. Je weet niet wat zich om de hoek bevindt. ’t Is alleen zeker dat zich daar ook weer een hoek zal voordoen die ’t zicht op verdere voortgang belemmert.
In die twijfel werd ik gedag gezegd.
‘Hoi, Ton.’
‘Wie kent mij hier?’ vroeg ik me onmiddellijk af & keek op.
Regina. Maar haar naam wilde me in die flits niet meteen te binnen schieten. Wel dat ik verrast was haar hier te zien. Op de fiets, in ‘tzelfde sukkeldrafje als ik haar eens een brug had zien beklimmen.
‘’t Wil allemaal niet zo snel meer,’ had ze me naar aanleiding daarvan uitgelegd.
& Nu helemaal in Abcoude.
‘Hoi, jij ook hier?’ zei ik snel, vlak voordat ze me alweer gepasseerd was.
& Ik sloeg de bocht om. Resoluut nu. Ik mag nooit laten merken dat ik de route niet weet van de wandeling die ik maak. Ik keek nog even bij ’t café-restaurant naar binnen. Of ik de barman zou herkennen van 2 jaar geleden. Die enkele secondes dat ik nodig naar de wc moest, toen.

Bij Baambrugge nam ik ’t zand- & jaagpad langs de Angstel. Liever dan dat ik ’t verkeer langs me door moest laten razen. Voorbij ’t terras van ’t pannenkoekenhuis, ogen van koffiedametjes in m’n rug gepriemd, zicht op een pannenkoek als middagmaal bij 2 motoristen, maar volledige anonimiteit. Verder keek ik gratis de ramen van de mensen thuis in. Maar ze waren er niet. Slechts interieurs.
Een auto passeerde over ’t smalle pad, een fietser, de motors die hun pannenkoekenlunch er op hadden zitten, maar pas bij ’t inhalen van de 2 oude dames die kinderwagens voortduwden, gevuld met kennelijk hun kleinkinderen, wordt ik gezien.
‘Goedemiddag,’ zei 1 dame tijdens mijn voorbijgaan.
‘Goedendag,’ zei ik gedragen.
Eerbied voor de rust in ’t dorp moest er uit klinken.
Nog 2 vrouwen kwamen me tegemoet, maar ze sloegen me over bij ’t groeten. De oma’s die zich inmiddels achter mij bevonden niet.

Een lange rechte weg.
Van over de brug bij Loenersloot, voorbij Loenen, ginder aan de linkerkant gelegen, & rechts ’t Amsterdam-Rijnkanaal, tot aan Nieuwersluis. Een weg die alleen maar horizon is.
Af & toe een flikkering van de zon in de verte, alsof een auto me tegemoet komt, maar ’t blijft daar waar m’n oog nog niet kan komen.
Dit zijn de grote uitdagingen: wegen die doorgaan, doorgaan, doorgaan, nimmer lijken te eindigen. Zelfs op de kaart lijkt de rechte lijn z’n einde niet te kennen. Je moet steeds iets anders bedenken, je laten meevoeren door de stroom van je gedachten, om ’t gebrek aan bochten, de continue aanvoer van bomen die op afgepaste afstand van elkaar geplaatst zijn, te kunnen negeren.
Op een gegeven moment is de enige afleiding ’t stukje extra asfalt dat aan de rand van ’t pad geplakt is. Ik vroeg me af waarom ik juist daar díe boom moest kiezen om tegenaan te plassen. De enige ‘mark’, aan ’t randje van wat extra asfalt.
Ik ontmoette fietsers. & In die desolaatheid van een weg die z’n eigen einde niet schijnt te kennen, genegeerd door de meeste dagjesmensen omdat almaar rechtdoor niet ’t karakter heeft van even een blokje om, een dagje uit; in die omstandigheid zeggen mensen elkaar plots wél gedag.
‘Hallo.’
Ik probeerde ook nog te knikken naar vissers, 200 meter voordat ’t pad toch richting Nieuwersluis afboog, maar deze lichaamsbeweging kon als verspilde moeite worden beschouwd. Ik zag ’t raam van hun auto in de zon staan schitteren. Ik had de horizon bereikt.

Nieuwersluis-Breukelen. Kronkeltjes langs de Vecht. Een vrachtwagenchauffeur kwam langzaam naast me rijden, stelde een vraag.
‘Ik kan je niet verstaan,’ riep ik tegen ’t lawaai van de motor in.
‘Weet jij of dit de weg naar ……(onverstaanbaar) is?’ herhaalde hij.
‘Ik weet dat ik straks in Breukelen aankom. Voor de rest ben ik hier niet bekend.’
Somber legde hij z’n blik weer op de weg. Ik bestond alweer niet meer.
Enkele bochten verder kwamen 2 meisjes me tegemoet. Wandelschoenen. De 1e naast die van mezelf.
’t Verkeer probeerde steeds eerbiedig afstand te bewaren van de 2 jongedames, maar de meisjes konden niet zien wat er van achterop aankwam.
Dus deed ik een stap opzij, liet de meisjes passeren, zodat de auto van achteren ook nog genoeg ruimte over had.
‘Dankuwel,’ zeiden ze, vrolijk naar me opkijkend, & zich vervolgens weer in hun gesprek verdiepend.
‘Er zit inmiddels een ‘u’ in dit lichaam,’ dacht ik.
Ik stapte de brug over om in Breukelen ’t station richting huis te vinden.

De trein leidde me daarvandaan, richting Zijperspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.