archiefmateriaal (VIII)

Als ik steeds dezelfde beelden zie, van situaties die niet in ’t nu bestaan, die er misschien ooit waren, maar waar ik een fata morgana van in ’t heden krijg weerspiegeld, een lichte golf trilt door ’t plaatje, iets onbereikbaars hangt er als een verre schaduw overheen; als dergelijke beelden me blijven lastig vallen, ben ik dan bezeten of gewoon onschuldig gelukkig?

Voor me op de markt loopt bijv een vrouw heupwiegend tussen de omstanders door. ’t Is doordat ze haar hand kort naar beneden laat zakken dat ik denk dat ik iets herken. Ik probeer me te herinneren waar & hoe. Hoezo van achteren & waarom een hangende hand?
Een andere vrouw pakt een strengetje haar, heel vanzelfsprekend, ik heb ’t inmiddels al 1000-en malen voorbij zien komen, diverse versies, onnoembaar vele variaties, & stopt ’t strengetje achter haar oor. Om ’t nog geen tel later weer voor haar gezicht te zien vallen. Dan lijkt ’t haar opeens niet meer te deren & staat ze toe dat ’t voor haar zicht, op de afwisselende maten van wind & ’t wenden van haar hoofd, heen & weer bungelt.
Ik ben verliefd op dat geduld. Ik wil steeds weer opnieuw ’t strengetje naar achteren gesleurd zien worden om dan weer net zo makkelijk & eigenwijs opnieuw zich in een oogwenk te bevrijden. ’t 1 Bestaat niet zonder ’t ander. & ’t Beeld bestaat bij de gratie van dat ik ’t ergens anders van ken.

Dames met donker haar zijn ook een gevaar. Of als ze schuchter op een fiets om zich heen kijken. Daarnaast meet ik de breedte & de lengte van hun lichamen, met 1 enkele oogopslag, om te weten te komen of zij er ook deel van uitmaken, deel uitmaken van de grotere collectie, de catalogus die ik eigenlijk niet in wil kijken. Bang als ik ben bezeten te zijn.
Daar loopt een glimlach. Daar gaat een kuiltje in de wang voorbij. Verderop gaat een wenkbrauw omhoog. & Heel in de verte staan 2 billen ietwat naar achteren.
Maar ook vrouwen op terrassen, die om ’t menu te lezen een bril tevoorschijn toveren & die diep over de neus laten zakken alsof ze er eigenlijk overheen willen kijken. ’t Gebaar ook waarmee ze de bril weer snel weg proppen in de tas.
Ik zag iemand gaan zitten, op een willekeurig muurtje. & Daarnaast trok haar buurvrouw een semi-verontwaardigd gezicht. Een hand op een knie. Een wijd open gesperd oog. Een elleboog die naar achteren stak. Een voet die op een ongewone manier naar voren werd gezet.

Ik mijd borsten. Ik kan hun aanblik niet meer aan. Slechts vluchtig raakt m’n blik ze, om zich zo snel mogelijk te bedenken dat ’t de tegenoverstaande ogen moet zoeken.
Maar ik ga ook ’t zicht op de flanken uit de weg. Ik wil de contouren niet zien, want stel dat ik ze ergens anders van ken.
Krukken, rolstoelen, een moeilijke gang… Ik sla onmiddellijk een ander gangpad in. Of verstop me tussen de massa van de maandagochtendmarkt.

Op ’t laatst haast ik me terug naar de fiets, zoek onderweg m’n zonnebril & verduister dat zonovergoten Hof van herinnering.

Waar allang niets meer ‘tzelfde is als in dat goede oude Zijperspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *