boterhammen

Ik vond ’t nooit iets, ontbijten. Een verplicht nummertje, elke ochtend dat je opstaat. Brood smaakte naar niets, maakte m’n mond droog, waardoor er liters koffie (dat dronk ik toen nog) of thee (dat was vóór de tijd van de koffie) nodig waren om ’t geheel weg te spoelen. ’t Beleg voegde niet veel aan de smaak toe. Dus smeerde ik maar mosterd op de kaas. M’n latere vriendin spoot regelmatig wat tomatenketchup op de paté. Nam ik al snel over.

’t Laatste beschouw ik tegenwoordig als godslastering. Dat doe je niet met paté. In ieder geval niet met de paté die ik betrek van Berkhout. Een belgische slagerij bereidt dat voor hem. Een slagerij gespecialiseerd in paté’s. Alles wat daar vandaan komt is goddelijk, zeggen Berkhout & ik in koor. Ik gooi 1 keer in de week m’n vriezer vol met plakken paté. 1 Dag voor gebruik leg ik een stuk paté een verdieping lager in de koelkast.

M’n moeder stond ’s ochtends vroeg vaak al onze boterhammen klaar te maken. Konden we ook zelf, maar ze was toch wakker, waarom zou ze ’t niet doen? We hadden een praktisch ingestelde & efficiënte moeder in die dagen. Daar genoten we volop van. Ik geloof dat ik er indertijd 3 boterhammen meenam naar school. Een gedeelte daarvan vond ik enkele dagen later onderin m’n schooltas terug. Zo’n degelijke schooltas, waar je eigenlijk niet mee wilde lopen. Maar m’n vader was directeur van een andere middelbare school & vond ’t zonde hoe de studie-boeken van zijn leerlingen elk jaar beschadigd terugkwamen. Een degelijke schooltas kon dat voorkomen: 1 gebouwd op ’t a-4 formaat, waarin alle boeken netjes rechtopstaand in geplaatst konden worden. Naast die rechtopstaande boeken vond ik m’n zakjes brood terug. Vaak liet ik ’t dan nog enkele dagen zitten, omdat ik niet altijd een prullemand voor handen had. Of omdat m’n moeder de inhoud van de prullemand voor ogen zou kunnen komen. Dan kon ze de groen beschimmelde boterhammen zien, waar zij ’s ochtends zo hard aan gewerkt had.
Niet dat ik iets anders op school at. Ik vond dat brood gewoon niks. Alles wat we op school in de pauzes konden kopen, leek daar over ’t algemeen op. Behalve dan de penny-wafels. Mijn zakgeld was niet toereikend genoeg om elke dag penny-wafels ipv brood te eten. Ik haalde ’t bij de avondmaaltijd altijd wel in. Ik kon avondmaaltijden verorberen voor 2 of 3 schoolgaande kinderen, zonder daar lichamelijk enige uitbreiding van te ondervinden. Ik droomde van een land waar je 2 warme maaltijden per dag kon eten. Ik spaarde dan ook postzegels van Frankrijk.

Sinds ik meneer Berkhout ken (& ’t meisje van de bakker, dat me Waldkorn-brood verkoopt) heb ik geen moeite meer met m’n boterhammen. Vooral ook omdat ik ze dik beleg. Als ik dat vroeger thuis deed, kreeg ik al snel de opmerking dat ik daar wel 2 sneetjes mee kon beleggen. Daar werd de oorlog bij betrokken als je zei dat je er anders geen trek in zou hebben. Die opmerking maakt niemand hier in huis. Hij wil me zelfs niet te binnen schieten als ik de lekkernijen ’s ochtends uit de koelkast haal & alvast een plakje salami in m’n mond steek. Terwijl ik 6 boterhammen bekleed (zonder boter, da’s zonde van de smaak), eet ik de 1e alvast op. Zo groot is de trek.
M’n ouders waren laatst op visite. Ik zeg tijdens de lunch tegen ze: ‘Beleg maar lekker dik hoor. Dat doe ik zelf ook altijd.’ Ik heb ze geen opmerking over de oorlog horen maken, die maaltijd. Pff, ze konden wel door blijven eten. Volgende keer moet ik maar ‘ns een stuk paté van Berkhout voor ze meenemen. Ze zullen m’n hele jeugd vergeten. Net als dat verhaal over de lotusbloemen van Odysseus.

Maar dan anders & in Zijperspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.