cheeta’s

‘Meneer de Wit kan zo hard lopen als een paard,’ zei Carel.
Ik wist dat ’t niet waar was. Ging nonchalant door met de ene steen bovenop de andere te plaatsen.
‘Dat kan helemaal niet,’ zei ik toch maar. ‘Meneer de Wit kan niet zo snel als een paard.’
Carel bouwde z’n eigen kasteel, aan de overkant van de tafel. Vanuit ’t midden pakten we om beurten de stenen die we nodig hadden. Alles lag door elkaar. Wij ordenden door te bouwen.
‘Jawel, dat kan-ie wel,’ was Carel z’n eenvoudige weerwoord.
‘Hans is sneller,’ zei ik, ‘Hans van mijn klas.’
‘Dat kan jij helemaal niet weten,’ zei Carel.
Ik brak een stuk van m’n muur af, zodat ik ruimte had om een toren te maken. Carel keek vol belangstelling naar de vrijkomende stukken steen. Ik schoof ze zo dicht mogelijk tegen me aan.
‘Jawel, want meneer Brugman was ziek,’ zei ik schijnbaar in gedachten.
Daarmee was wel alles verklaard. Dat Hans sneller was dan een paard, omdat meneer Brugman ziek was. Ik stelde ’t me even voor. Hans die voor school door de Korvetstraat ging rennen, met naast zich een paard, die ’t op een gegeven moment uitgeput op moest geven.
‘Hoe snel loopt een paard?’ vroeg ik voor me uit.
Ik pakte wat blauwe stenen uit ’t midden van de tafel. Dat zou beter bij de toren passen.
‘Wel 50 km,’ zei Carel.
‘Dan loopt Hans zo snel als een luipaard.’
‘Da’s ook niet snel.’
Hij veegde alle gele stenen naar zich toe. Die leek Carel nodig te hebben voor de poort.
‘Jawel,’ weersprak ik hem, want van luipaarden wist ik alles. ‘Meneer Brugman heeft van de week verteld over cheeta’s. Dat zijn de snelste dieren op aarde.’
Carel zette in ’t midden van z’n bord enkele gele stenen. Ik keek even mee. Op zich wel handig, dacht ik. Dan kunnen de mensen ook ’t kasteel binnenkomen.
‘Cheeta’s zijn apen,’ zei Carel. ‘Apen zijn niet snel. Die kunnen alleen heel goed slingeren aan bomen.’
Ik stopte even. Keek verontwaardigd naar Carel. Zocht vervolgens met m’n blik naar die van m’n vader. Die zat voorovergebogen over z’n papieren.
‘Pap,’ zei ik, wat harder, om ‘m uit z’n concentratie te halen. ‘Wat zijn cheeta’s?’
‘Hm, ja,’ zei m’n vader.
Carel haalde stiekem een blauwe steen bij me vandaan. Ik kon me er even niet druk om maken. ’t Antwoord van m’n vader was belangrijker.
‘Pap,’ herhaalde ik. ‘Wat zijn cheeta’s? Dat zijn toch luipaarden?’
‘Ja,’ zei Pa zonder op te kijken. ‘Straks.’
Ik wist niet wat dat ‘straks’ moest betekenen. Maar hij had in ieder geval ‘ja’ gezegd.
‘Zie je wel,’ zei ik voldaan tegen Carel. ‘Cheeta’s zijn de snelste dieren op de wereld.’
Ik pakte een rode steen uit ’t midden. Ik wist dat Carel ze zo direct hard nodig zou hebben.
‘Pappa luistert helemaal niet,’ zei Carel.
Z’n toegangspoort begon te stijgen. Was bijna net zo hoog als de rest van ’t kasteel. Alleen de torens aan weerskanten staken er nog bovenuit.
‘Jachtluipaard,’ klonk vanuit de voorkamer ’t brommen van een geconcentreerde vader.
We hielden even onze monden. Hadden alleen aandacht voor ’t bouwen. & Voor de stenen waar we niet bij konden. Maar dat lieten we zo min mogelijk merken. Slechts slinks kijken of een steen per ongeluk een tikje kreeg, zodat-ie binnen handbereik kwam. & Dan snel grissen.
‘Hoe weet je dan dat Hans sneller is dan meneer de Wit?’ vroeg Carel na een lange stilte.
Hij was ’t niet vergeten.
‘Een cheeta loopt 60 km per uur,’ ontweek ik ‘m. ‘Heeft meneer Brugman verteld.’
Ik merkte dat er geen blauwe stenen meer waren om m’n toren af te maken. Daarom brak ik maar wat stenen van de muur af. Kon ik daar een groene poort maken. Groene stenen zat. Ik pakte er alvast een paar.
‘Hans kan helemaal geen 60 km per uur lopen,’ zei Carel.
Hij griste ook groene stenen van de tafel weg.
‘Jawel,’ zei ik fel, ‘want meneer de Wit kon hem niet tikken tijdens de gymles.’
Meneer de Wit was immers een paard. Had-ie zelf gezegd.
Carel legde een groen veld aan rond zijn kasteel.
‘Ik vind tikkertje maar stom,’ zei hij ondertussen.
‘Jij hebt die groene stenen helemaal niet nodig,’ zei ik verontwaardigd.
‘Jawel, want dan kunnen mijn paarden op de groene wei rond ’t kasteel grazen.’
Ik bouwde snel verder aan m’n poort. Voordat groen op was.
‘Ik vind Hans stom,’ zei ik. ‘Hij prikt altijd met z’n pen in m’n arm.’

We bouwden nog vele kastelen in Zijperspace, & lang & gelukkig ook.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *