deken

De zon kondigt zich al aan met een helder blauwe lucht, een enkele kleine pas gewassen wolk ertussendoor. ’t Doet ’t wit nog witter glanzen. In de flat achter m’n huis zie ik vlekken zon die de ramen van m’n bovenburen daar projecteren.
Vogels hebben nog niets te doen, kwetteren een beetje voor zich uit, timide, verveeld. Hun takken zijn bezet, hun voedsel verborgen. Een enkeling vliegt een beetje heen & weer, daarbij de takken opschrikkend, zodat deze zich nog wat sneller van ’t winters masker moeten ontdoen.
De natuur lijkt zich te schikken, te buigen bij deze nachtelijke overrompeling. ’t Had even niet opgelet, maar weet de consequenties ervan te dragen. Onder ’t gewicht neigen vele takken schuin voorover, ze geven zich gewonnen, waarschijnlijk in de veronderstelling dat dooi ze straks wel zal redden.
Als de zon zich bevrijd ziet van een wolk, maar voor mij & m’n tuin nog steeds verborgen blijft achter de flat, weerkaatst ’t landschap ’t licht als in de beste films in Technicolor. Niet te grauw, niet te somber, niet te mat, maar zacht, mild, subtiel tekenen zich kleuren af. De rode bloempjes van de appelstruik duiken olijk op tegen de overwegend witte omgeving.
Langzaamaan ontwaken de bomen, als uit een winterslaap. Ze schudden zich wakker door zich te ontdoen van klodders te zwaar wegend sneeuw. 1st Was er 1 boom die z’n takken ervan ontdeed, maar naarmate ’t lichter wordt, de zon meer vlekken vertoont op de muren van m’n achterburen, de gloed boven hun dak feller wordt, vallen er van meer bomen kleine sneeuwballen naar beneden. Zelfs de geraamtes dunne sprieten die mijn tuin afgelopen zomer vrolijk met groen & bloemen hebben gesierd, lijken weer tot leven te komen. Als een restant guldenroede zich van z’n vracht heeft ontdaan, schommelt ’t voldaan een paar tellen heen & weer. ’t Decor wordt geleidelijk aan opgebroken. Je kan de bevrijde takken hun ruggen zien rechten. Ze kijken vervolgens weer stoer de wereld in.
Sneeuw is gestold, gekristalliseerd water, besef ik me weer als ik ’t hoor spetteren op ’t balkon boven me. Vlak voor m’n neus langs valt een druppel. ’t Deken begint gaten te vertonen die recht naar beneden wijzen. Door de gaatjes heen kan je ’t grijs, ’t grauw alweer naar buiten zien schijnen. Ik zie de sneeuw al somber in elkaar kruipen. ’t Is weer zijn beurt zijn schouders te buigen. ’t Beseft dat z’n rol er alweer bijna op zit. Zodirect duikt de zon vanachter de flat tevoorschijn om m’n illusie definitief weg te nemen.
De kinderen die me daarstraks vroeg deden ontwaken zitten al lang & breed in ’t klaslokaal. Hun luide geschetter is inmiddels door de vogels overgenomen.

De wereld wordt weer kaal in Zijperspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.