drenthepad-ontmoetingen (6)

‘Waar moet je naartoe?’ vroeg de man.
‘Naar een station,’ antwoordde ik. ‘Of een dorp die we mogelijk passeren. Naar ergens waar ik verder richting een station kan komen, eigenlijk.’
Hij maakte ruimte. Schoof de schoffel & schep nog iets meer opzij, zodat ik ernaast kon gaan zitten, m’n rugzak op de achterbank.
‘Ik neem niet zo snel meer lifters mee,’ zei de man toen ik zat.
‘Je ziet er ook niet zoveel meer,’ zei ik.
‘Nou, er is een vrouw bij ons in Norg een tijdje geleden iets gebeurd met lifters. ’t Heeft in de krant van Norg gestaan. Daarom weet ik ‘t. Een heel verhaal, heel vervelend, maar ze heeft ’t overleefd. Toch word je dan wat huiverig. Laatst had ik een meisje meegenomen. Ze stond helemaal alleen bij een bushalte te liften. Ik heb tegen haar gezegd dat ik haar kende van ’t dorp, dat ik haar daarom meenam, maar dat ik ’t toch niet goed vond dat ze in haar 1tje stond te liften. Je weet nooit wie er voorbij komt. Ze zei dat ze dat alleen maar deed als ze de bus gemist had, als ze op weg was naar school. Ik zou haar de volgende keer wel meenemen, zei ik haar, maar alleen om te voorkomen dat een vreemde haar iets kon doen.’
‘Meisjes zouden niet alleen moeten liften.’
‘Dat heb ik haar ook verteld.’

Hij was in de 70, vertelde de man. Z’n vrouw had de laatste tijd last van duizelingen. Daarom was-ie op weg. Naar hun boot. Hij moest daar ‘ns gaan schoffelen, onkruid bij de waterkant weghalen.
‘Ja, we kunnen niet meer gaan varen,’ zei hij, ‘want m’n vrouw heeft vaak last van die duizelingen. Dan kunnen we wel op een rustig water ronddobberen, maar je loopt toch ’t risico dat er iets gebeurt. Straks ligt ze plots overboord. Dan moet ik haar maar zien te redden. Dus heb ik haar gezegd dat we dan maar de boot moesten verkopen. Op een gegeven moment moet je er toch afstand van doen.’

We reden langs ’t water. Een watertje waar ze vast vaak hadden gevaren.
‘Je zal ‘m straks wel even zien. We rijden er langs. Dan breng ik je 1st wel even naar Assen. We zitten tenslotte toch. Dan kunnen we net zo goed wat langer zitten.’
‘Zo is ’t maar net,’ lachte ik dankbaar.
‘Ik heb ‘m te koop aangeboden. Er staat een bord. & Ik heb ’t op internet gezet. Al een paar reacties gehad. Van mensen die op de hoogte zijn. Maar die proberen ervan te profiteren. Denken dat je er snel vanaf wil. Dan komen ze met een prijs aan die ’t niet waard is. Ik heb ‘m zelf gebouwd, zie je. Kreeg ‘m casco aangeleverd. Helemaal van onderen af opgebouwd. Anders had ik geen boot gehad. Maar een vriend van me, waar ik wel vaker voor werkte, die heeft ‘m zo aangeleverd. Hij deed in jachten. Ik kende ‘m al vanuit m’n jeugd. Ik was docent in die tijd. Op een gegeven moment kreeg ik een belletje van hem. Dat-ie hulp nodig had. Bij ’t lassen van z’n boten. Dat heb ik toen jarenlang gedaan. Toen heb ik een keertje losgelaten dat ik zelf ook wel een bootje wilde, maar dat ’t voor mij onbetaalbaar was. Hij zei dat-ie me wel wat kon leveren. Als ik ’t zelf zou bouwen, dan was ’t wel betaalbaar. ’t Meeste geld voor zo’n jacht gaat nl in de manuren zitten. Ik heb er toen al m’n vrije tijd in gestopt. 3 Jaar over gedaan. Die man is nog steeds m’n beste vriend. Al vanaf m’n jeugd, toen we klein waren.’

‘Kijk, daar ligt-ie,’ wees de man.
We stonden voor ’t stoplicht, in een bocht. Schuin achter ons lag de boot. De walkant was overwoekerd met onkruid.
‘Ja, ik moet ’t wel even opknappen. ’t Moet er wel goed uitzien.’
Hij trok weer op. We sloegen de bocht om. Even later doemden de 1e gebouwen op.
‘O, dit is Assen al,’ merkte ik op.
‘Ja, we zijn er zo. Maar ik ga niet via ’t centrum. Al die drukte. Kijk, ik kan nog rijden. Ik heb m’n oude auto weggedaan. & Dit is een 2e-handsje. Daar kan ik ’t nog mee doen. M’n vrouw mag niet meer rijden, vanwege die duizelingen. We worden ouder. Maar ik zeg tegen haar: “We wisten dat we ouder werden. Dus moeten we er maar van genieten. Niet moeilijk doen over dingen die we niet meer kunnen.” Dus verkoop ik die boot. Hij is 15 jaar onze boot geweest. We hebben ’t er heerlijk mee gehad. Maar je weet dat er aan alles op een gegeven moment een einde komt. Daarom heb ik ook een andere auto genomen. Je weet dat je concessies moet doen.’

Hij stopte voor ’t station. Ik stapte uit om m’n rugzak van achteren te pakken. Liet ’t portier aan de voorkant nog even openstaan. Ik liep met m’n rugzak op 1 schouder rustend terug naar voren. Gaf de man een hand.
‘Bedankt voor de lift,’ zei ik.
‘Nog een prettige reis.’
‘& Succes met de boot.’
‘Ja, dank je.’
Toen legde ik de rugzak ook op m’n andere schouder. Sloeg ’t portier dicht. De auto trok op. De man zwaaide nog even. Ik zwaaide terug.

Ik vervolgde m’n reis door Zijperspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.