eckerö

’t Was een hele reis naar Åland. Vooral omdat ik liftend ging. Via Duitsland richting veerboot naar Denemarken & vandaar weer een volgende veerboot naar Zweden. Vervolgens omhoog, steeds verder omhoog, tot voorbij Stockholm. Ter hoogte van Uppsala kon ik pas weer richting ’t oosten verder reizen. Maar toen was ik er ook bijna. Ik denk dat ik er totaal 4 dagen over gedaan had, vanuit Nederland, om uiteindelijk om 6 uur ’s avonds in Grisslehamn aan te komen.

Ik voelde me een held op de boot. Vooral dankzij de beleefde avonturen. ’s Nachts in een recordtijd de Autobahn beracet, vervolgens slapend van Puttgarden naar Rödby. Samen met een deense jongen in de auto gezeten, bestuurd door een dronken vent. Met een stel jeugdkampbegeleiders m’n 1e rit door Zweden meegemaakt. Op ’t jeugdkamp zelf geleefd van wat die begeleiders me aan fruit te eten gaven. Door een lilliputter de volgende dag aangesproken. Hij vroeg me met een bezweet gezicht hoe hij aan ‘drugs’ kon komen. Maanden later kwam ik er pas achter dat hij medicijnen bedoelde. Met een handelsreiziger kriskras door Skåne gereisd. Als beloning voor ’t gezelschap een blikje lättöl gekregen. Een vader & 2 kinderen richting pretpark begeleid. De verhalen van een geflipte economie-student 100 km zitten aanhoren. Een bezorgde vader & moeder gerustgesteld door hun pasgeplukte wilde aardbeien aan te nemen. Een studentenkamer in de universiteitsstad Uppsala aanschouwd.
& Opeens overzag ik de scheren voor de kust, de kleine eilandjes die de ‘kust’ uitmaakten van Åland. Voorovergeleund in de langzaam ondergaande zon. Zeer langzaam. Zo ver noordelijk was ik nog nooit geweest. Zo lang had ’t nog nooit geduurd voordat de dag ten einde was.

Ik was trots. Ik had m’n doel bijna bereikt. Dit zou men nooit meer van me af kunnen nemen. Volle zee: de Oostzee. Op weg richting Finland, maar ik zou bij de 1e halte de veerboot al verlaten. Ik zag 1000-en eilandjes langs me heengaan. Eilandjes die ik op kaart al bestudeerd had. Meermaals had ik weg zitten dromen bij de kleine stipjes die mijn kaart van Åland vertoonde. Elk stipje was wéér een eiland. Al dan niet bewoond. & Ik zag ze nu allemaal aan me voorbij varen. Meer dan de stipjes zelfs die ik op de kaart had kunnen ontwaren.

Ik verliet de boot toen ’t nog licht was. Liet m’n paspoort zien aan de beambte die er stond. Niet al te serieus keek-ie er naar. Hij wilde me zelfs vertellen waar de camping van Eckerö was, terwijl hij dat deed. Daar rechtsaf, & dan de weg maar volgen. Maar wel doorlopen, vertelde hij, want ze zouden vast dichtgaan bij zonsondergang.

Een ½ uur later stond ik bij een gesloten receptie. Zenuwachtig keek ik om me heen. Ik had zover gereisd & nu was er geen slaapplaats voor me?
‘Zet je tent daar maar neer,’ vertelde de man die z’n caravan ’t dichtst bij de uitgang had staan. ‘Daar staan de trekkers altijd. Morgenochtend kan je je wel bij de receptie aanmelden.’
In de intredende duister zette ik m’n tent op. Steeds minder op m’n gemak. Doodop, lege maag, behoefte aan een douche & een borrel. Alles tegelijk.

De volgende ochtend had ik nog even een moment van trots. Ik hoorde de dames van de receptie tegen elkaar praten, ik kon hun zweeds verstaan, dat ze nog nooit eerder een nederlander op de camping hadden gehad. Ik was de 1e.
Maar daarna was ’t weg.
Ik liep terug naar Eckerö, om te verkennen wat ik allemaal zou kunnen gaan doen. Ik staarde over de scheren, daar aangekomen. Bekeek de fietsenverhuur, maar durfde geen geld uit te geven, bang dat alles te duur zou zijn & ik geen geld over zou houden voor de terugreis. De plattegrond van Åland bestuurde ik nogmaals. Voor de zoveelste keer. Ik kon geen doel meer op de kaart voor mezelf ontwaren. Er was plots geen aantrekkingskracht meer. De rest van de eilandengroep bestond slechts uit angst. Ik wist dat alles wat de kaart aangaf te maken zou hebben met m’n komend falen. Niets zou nog leuk zijn. Ik wist in ieder geval geen reden te bedenken waarom leuk nog im sprache was.

Eindelijk op een eiland. Een ver eiland waar ik een jaar van had gedroomd. Waar niemand mij voor was geweest, zo voelde ’t. & Ik voelde niks dan angst. Op de 1e dag dat ik er doorbracht.

Ik belde Pamela. Ze vertelde me dat ze op vakantie zou gaan. Toch. Ze zei me dat ik door moest zetten. Hier had ik immers van gedroomd.
Maar ik zei dat ik niet meer durfde. Ik wist niet meer waarom ik op ’t eiland was. Ik moest zo snel mogelijk terug.

’s Avonds laat, ik had de beslissing genomen terug te keren, keek ik naar de ondergaande zon. Ik zat op de stenen voor de kust van Eckerö. Ik had me neergelegd bij m’n nederlaag. Ik was geen held, geen avonturier. Ik durfde geen wandeling te maken over een eiland waar bijna geen andere nederlander mij was voorgegaan. Ik wilde naar huis. Die avond laat, ’t was tegen 11-en, zag ik de mooiste zonsondergang ooit meegemaakt. Ik durfde weer even te genieten. Ik vulde 10 blzs van m’n dagboek om die zonsondergang te beschrijven. & Ik waagde ’t heel kort mezelf gelukkig te voelen.

Maar dat was vooral omdat ik wist dat ik de 1e boot terug naar Zijperspace zou nemen, de volgende ochtend.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.