eeuwigdurend

Een hagelbui ging daarnet over de laatste restjes sneeuw in m’n tuin. Natte, plakkerige hagel was ’t in ’t begin vooral. De restanten van de harde korrels aan ’t eind van de bui liggen er nog, de rest is verdwenen, is veranderd in een druipend laagje, de druppels rollen van de spaarzame takken in m’n tuin, dat m’n hele tuin bedekt. Als bewijsstukken van hun vernietigende werking. ’t Plakje sneeuw achterin m’n tuin is vergeleken met een uur geleden gehalveerd. Bij ’t openen van de gordijnen vanochtend vroeg ik me nog af hoelang dat laatste beetje sneeuw ’t nog uit zou houden. ’t Deed me weer beseffen dat sneeuw eigenlijk ’t meest tijdelijke van de weersverschijnselen is. Zeker in Nederland. Hoewel ’t bij ’t neerdalen uit de hemel een totaal andere indruk geeft.
Ik zag gister een jongetje op tv. Ihkv ’t huwelijk van onze troonopvolger vielen er kleine hoeveelheden confetti op ‘m neer. Buiten beeld werd ’t vanaf een balkon over ‘m heen gestrooid. ’t Leek een kleine sneeuwbui. Hij deed z’n armen wijd, handen open, hij richtte z’n hoofd ½ omhoog & liet alles op ‘m neerkomen. Hij had een houding alsof-ie elk moment omhoog kon duiken, de bron van de bui tegemoet. & Nooit meer terugkomen, dacht ik erbij.
Ik zag mezelf als klein kind, verwonderd buiten staan tijdens de 1e momenten van sneeuw. Met ’t hoofd omhoog liet ik alles over me heen komen. Verstild stond ik temidden van miljoenen wazige vlokjes, allemaal precies eender, maar toch elke keer weer een ander die m’n hoofd aanraakte, of plots m’n lippen licht toucheerde, m’n mond binnenglipte. Zo ver als m’n ogen konden reiken vielen er vlokken richting aarde. Als ik naar boven keek was er een oneindigheid van draaikolkende elementjes sneeuw, duizelingwekkend grote hoeveelheden vielen traag de wereld tegemoet. Wit, wit, wit, met op de achtergrond een zweem van grijs, waar je ’t wit niet meer kon onderscheiden als zelfstandige eenheden. Des te langer ik keek naar die continue stroom van zachte koude dons des te oneindiger ’t me toescheen, & des te meer ik daar onderdeel van werd. Ik dook ’t diepe in.
Sneeuw is eeuwigheid, bedacht ik me afgelopen weekend. ’t Geeft ’t gevoel dat alles ‘tzelfde zal blijven. De wereld wordt bedekt met een laagje immerdurende conservering. Wat er onder ligt zal niet meer veranderen. Altijd onherstelbaar wit. De wereld is beperkt, want alles lijkt op elkaar. Er is slechts onderscheid tussen hoog & laag, bobbel & kuil.
& De mensen proberen ’t te ontvluchten door zo snel mogelijk, indien de sneeuwse gladheid hen in die vaart niet tegenhoudt, terug naar huis & haard te keren. Onderweg een aanval van neerwaartse projektielen van boven verdurend. Hoeveel getrommel op ’t hoofd met watten kan een mens verduren, voordat-ie geveld wordt?
Bij sneeuw zie ik mezelf weer door de storm heen ploeteren. Heroïsch de kranten in mijn wijk bezorgend. De verschrikkelijke sneeuwman voelde ik me, als ik tuin in tuin uit de brievenbussen afging. Volledig bedekt met een onherkenbaar makende laag sneeuw, kon ik in de weerspiegeling van de ramen zien. Schuin vooroverleunend probeerde ik meer kracht te bieden dan de stormende wind die me liever de andere kant op over de gladde ondergrond zag glijden.

Maar niets is wat ’t pretendeert te zijn. Of blijkt uiteindelijk de kracht te hebben die ’t in z’n 1e verschijning deed voorkomen. De sneeuw verdwijnt sluipend traag uit ’t wereldbeeld, verandert 1st in modderige zwart-omrande druilerige heuveltjes. Waar ’t vlak is hooguit een natte stoep. Sneeuw is slap, geeft snel de moed op, verandert in hopen zwartgallige nattigheid.

& Is uiteindelijk weg uit Zijperspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *