ethiopiques

Frew Haylou - Eyètègnu Nèqu

Er was de man die altijd de glazen aangaf. Klein, tenger, gedienstig. Vroeger deed-ie dat met 1 hand onder de glazen. Hij doneerde ze, zo leek ’t. Ik heb ’t ook bij een ander meermaals gezien. Hij reikte ze aan met een beleefd gebaar. Maar dat is er afgesleten. Aangepast wellicht aan de westerse samenleving van glazen aangeven. Toch pakt-ie altijd de glazen op. Hij bukt zogauw-ie ziet dat ik er aankom. Ik hoef ‘m niets te vragen.
Hij kwam binnen & strekte z’n armen. Hij lachte. Met z’n hele gezicht. Je zag dat-ie ’t paradijs inging. Voor even.

De jongen (hij is nog niet zo oud, hoewel ik ‘m al jaren lijk te kennen) bleef buiten. Misschien was-ie al weg. Hij houdt van Sjostakovich & wil die cd’s van me lenen. Ik vergeet ’t alleen steeds mee te nemen.
Hij dronk die dag veel. Zoals altijd. Zonder dat je ’t aan ‘m merkt. Tenzij hij begint te praten. Dan giechelt-ie, dan raakt-ie je met z’n rechterhand aan. Zo’n aaitje. Hij heeft lange vingers.
De jongen gaat tegenwoordig vaak apart zitten. Hij vindt lang niet alle ethiopiërs aardig. Aanstellers, zei hij laatst. Hij giechelde z’n lachje erbij.

De vrouw was er ook. Ik had haar kort ervoor al een stukje laten horen. Ze herkende ’t meteen. Nog voordat de zang begon.
Maar ’t was nog te vroeg. Dus ging ’t weer uit. We draaien altijd pas muziek als de klanten weg zijn. Tijdens ’t schoonmaken.
Ze keek me evengoed met veelbetekenende ogen aan. Ze vroeg hoe ik heette. Ik vroeg niks terug. Had ik misschien moeten doen. Ze wachtte met verlangende ogen. Haar hoofd neigde schuin naar rechts terug, haar ogen langzaam van mij los trekkend.
Ze is trouwens de enige vrouw die echt regelmatig komt. Voor de rest zijn ’t altijd mannen. Een enkele vrouw, maar die zie je daarna meestal een hele tijd niet.

Ze trok een andere man mee naar binnen. De man die betrokken was in de discussie over ’t glas. Een rustige man.
Terwijl iedereen verontwaardigd was vroeg hij in rustig duidelijk verstaanbaar nederlands: ‘Maar we kunnen toch niet de hele tijd kwaad blijven? We moeten toch tot een vergelijk kunnen komen.’
Geen heftige gebaren. Heel rustig. Kalm. Alsof-ie gewend was mannen toe te spreken. Mannen die voor hem werkten.
Haar arm zat in die van hem gestoken toen ze terug naar binnen kwamen. Beiden lichtjes verbaasde blik. Zij leunde lichtjes voorover. Hij rechtop. Behield ’t evenwicht. Hij luisterde. Herkende vroeger (maar dat hoorde ik van iemand anders). Zij ook, maar op een andere manier. Ze keek me smekend aan. Begreep ik toen ze me een knipoog gaf. Toen ze toch echt naar buiten moesten omdat wij verder moesten met opruimen.

De stevige man was ook buiten gebleven. Leek me ook geen type voor uitbundigheden. Bij de discussie kon-ie vooral kwaad kijken. & Kwaad ging-ie de deur uit. Hij wilde zich niet verlagen tot zulke discussies. Gefrustreerd was-ie. Dook liever weg. De stevige man houdt niet van blanken, lijkt ‘t. Hij begrijpt ze in ieder geval niet. Wilt ’t misschien niet.

De man met de krullen was vast al vertrokken. Anders had ik een klop op m’n schouder gekregen.
Hij zei laatst al: ‘Ton, voor jou hebben we respect.’
Vanwege die discussie. Omdat ik rustig bleef. & De beslissing nam ons niet meer druk te maken. Ik gaf ‘m toen een biertje. Helpt altijd.
Ik kom ‘m wel vaker op straat tegen. Laatst was-ie bij een vriend, bij mij in de straat. Ze waren met z’n auto bezig. Z’n vriend kende ik ook nog wel van vroeger. Kwam toen vaak. Nu heeft-ie een druk gezin, vertelde hij.
Ze lieten merken dat ze blij waren mij te zien. Dat geeft een raar gevoel. Ik weet alleen niet welk raar gevoel.

De kale had gezegd dat ’t oude muziek was. Ik had ‘m de 1e tonen laten horen. Hij moest lachen toen ik m’n collega’s had gezegd dat ik ethiopische muziek mee had genomen. Hij stond op dat moment aan de bar.
‘Nee, echt,’ zei ik, & liet ‘t ‘m horen.
Hij was verbaasd.
’t Was oude muziek, zei hij dus. Hij zou van de week een bandje met moderne muziek meenemen.
‘Ook mooi,’ zei hij.

De oude man liet een paar gilletjes horen. Hij had ook aan de bar gestaan. Herkende ’t nu meteen. Kwam naar binnen & ging met gespreide armen door ’t café. Leuke gilletjes.

’t Was leuk om te zien. Maar we moesten opruimen. & ’t Was ook raar. We draaiden hun muziek. & Zij wisten waar ’t over ging. Ik schaamde me bijna. Had een rood hoofd. Ik probeerde voor te doen alsof ’t van ’t harde werken kwam, maar ik denk dat dat niet lukte.
‘Weet je wat,’ zei ik, ‘ik doe ’t raam open. Dan kunnen jullie ’t buiten evengoed horen.’
Ze keken me aan. Gewoon. Zonder uitdrukking. Omdat ik iets zei, keken ze me aan.
‘Dan kunnen wij verder met schoonmaken,’ ging ik verder.
Ik was erg oneerbiedig, dacht ik, maar ik moest aan de andere kant ook gewoon mezelf blijven.

De deur naar Ethiopië ging weer dicht in Zijperspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.