explosiewormen

Kikkert keek toe terwijl de politie ’t meisje in bedwang hield. Ze hielden haar fiets staande. Waardoor zij ook.
De jongste Kikkert aanschouwde ’t gebeuren. De broers Kikkert waren allemaal een beetje gek, gewelddadig in mijn ogen, onberekenbaar, op 1 na, maar dit was de jongste. Ook gek. Die had op een gegeven moment zoveel geblowd dat-ie rustig was geworden. & Nog gekker.
Hij keek toe. ’t Ging hem aan, zo leek ‘t.
De politie ondervroeg ’t meisje.
Keurig net meisje. Rok tot aan haar knieën, stemmig rood. Haarband. Sjaal om. Jas open. Haar benen omarmden nog steeds de middenstang van de fiets, maar ondertussen keek ze verontrust vanwege de vragen die de politie haar stelde.

Ik schouwde toe, ik toeschouwde, ik deed daar iets.
Daar ontstond de verwarring.
Ik stond eigenlijk te wachten, maar ik wist nog niet waarop. Terwijl ik keek waar ik nou eigenlijk op aan ’t wachten was, veranderde ’t meisje. Toen ik m’n blik weer naar haar keerde, bleek ze haar haar los te hebben. ’t Stemmig rood was in onstuimig groen & blauw veranderd. & Haar gezicht stond vermoeid, paniekerig vermoeid. Ze wilde niet mee met de agenten.
Dan had ze de huur maar moeten betalen, vermelden de agenten, of anders haar vriend.
Dat was de rol van Kikkert. Hij wachtte op geld. Nu de dienders ’t meisje meenamen, wist-ie dat er aan gewerkt zou worden & kon hij gaan. Hij verdween uit beeld.

’t Toneel was leeg. & Werd vervolgens opnieuw gevuld.
De vriend van ’t meisje. Degene die ’t optreden had georganiseerd. Iedereen had op kunnen treden. Z’n verhaal kunnen doen. Men had mij ook gezegd dat te moeten doen. Een stuk tekst voorlezen, maar ik wist niet of ik durfde.
Ik durfde niet, terwijl ik iedereen aan me voorbij zag trekken. Ieder met z’n eigen voorstelling.
We gingen napraten, maakte de organisator mij duidelijk. De vriend van ’t meisje. Dat ze gearresteerd was interesseerde hem blijkbaar niet.

We kwamen in een ruimte terecht waar aan de zijkant diverse niveaus waren aangebracht. Daar kon je op zitten. Een tribune van 3 verdiepingen. Daar namen de artiesten plaats. Degenen die net hadden opgetreden, waaronder m’n broer. Ik had ‘m niet gezien, maar blijkbaar had hij ook op ’t podium gestaan.
Dan had-ie mijn idee ingepikt, bedacht ik. Hij had een stuk voorgelezen, zoals ik ’t eigenlijk niet gedurfd had. Hij had z’n teksten gepromoot. Ik niet.
Om beurten vertelden de mensen over hun optreden. Verlieten daarna de zaal. Ik zat te luisteren. Keek om me heen naar wat er gebeurde.
Toen m’n broer begon, kwam mij de luchtkoker in ’t oog. Tegenover me. Een open luchtkoker met een omtrek van 2 meter. Ik zag er troepen insecten naar kruipen. Ze gingen de koker in, & vertrokken erdoor naar buiten. Pissebedden, rupsen, wormen, vliegen. Steeds grote troepen, kruipend over de muur & dan naar buiten.
Ik probeerde m’n broers aandacht er op te vestigen, maar hij gebaarde dat ik stil moest zijn, dat ik me er niks van aan moest trekken.
Ik vond ’t maar eng. Was blij dat ik aan de goede kant zat.

M’n broer vertelde over z’n verhaal.
‘Ik was aan ’t vertellen,’ zei hij, ‘’t verhaal dat zo beroemd is geworden, dat handelde over ’t volleybalteam & m’n vader, & terwijl ik dat beroemde verhaal voorlas, dacht ik dat ’t allemaal wel leek of ik ’t over m’n vader had.’
Er werd geknikt.
Ik dacht ondertussen alleen maar dat ’t vast weer uren zou duren. M’n broer was nooit kort van stof. & Ik dacht natuurlijk aan de insecten, tegenover me.
‘Maar ’t ging helemaal niet over m’n vader,’ ging hij verder. ‘Ik bedacht dat ’t eigenlijk vooral over de volleybalwedstrijd ging.’
Mensen keken verbaasd. & Ik angstig. Want ik zag een worm mijn kant op komen.
Ik trok m’n benen op. Gilde naar m’n broer. Die zei dat ik me niet aan moest stellen. Hoewel de worm toch echt daadwerkelijk op me af kwam.
Ik trapte richting worm. Bleef doorgaan met gillen. & Op ’t laatste moment barstte de worm in kleine stukken uiteen. ’t Vloog alle kanten op. & Al die kleine deeltjes bleken weer zelfstandige wormen te worden. Ze begonnen al te groeien terwijl ik naar ze keek.
M’n broer ging onverstoord door met zijn verhaal. Ik kronkelde over m’n zitplaats van angst.

Ik liep door ’t donker naar de wc. Was blij dat ik even kon bewegen. Kon ik ook mooi een slokje water nemen, want m’n keel stond droog. Misschien had ik wel écht gegild.
Waar ’t over ging, vroeg ik me ondertussen af. Vast over angst. Angst voor mannen van vroeger, voor vrouwen misschien, angst om mezelf te presenteren, angst voor enge insecten vooral.
Maar wat hebben de mensen daar aan, als ik daar een stukje over schrijf?
Ik liep terug naar bed, dook er weer in.

Legde me op de andere zij van Zijperspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *