freerk

Zaterdag hadden we ’t er over. Dat ik alle dagen thuis was & hij de hele tijd sliep. Wel 16 uur op een dag, vertelde hij.
Nu was-ie samen met Vera er toch even op uit. Hij was net wakker geworden.
Hij zag er goed uit, maar de slaap kon je zien. ’t Kussen had z’n wang ingedrukt. Die leek er nog van te moeten herstellen.
Hij luisterde altijd. & Dan ging-ie praten. 1st Hield-ie z’n kin ingetrokken. & Vervolgens mocht-ie zichzelf laten gaan. Je zag z’n schouders letterlijk zakken. Dan was-ie los. Handenwrijvend kon-ie ’t woord dan gaan voeren.
& Vervolgens een vraag stellen, waarbij hij z’n hand op je schouders legde.
Hoewel ik dat de laatste tijd niet zo vaak meer heb meegemaakt.

Hij vertelde dat hij bewondering had hoe ik over m’n vader vertelde. Daar spreekt liefde uit, vond-ie.
& Waar liefde uit sprak, dat vond-ie mooi. Wat mooi was, was liefde.
Hij zou ’t ook op hebben willen schrijven. Van z’n vader, van hoe hij groot was geworden. Van hoe de dingen zijn zoals ze zijn & hoe ze zo gekomen waren.
Hij deed een stap achteruit, alsof om mij beter te kunnen aanschouwen. Legde z’n hand op z’n mond. Een moment in vertwijfeling. Misschien ’t juiste woord, misschien een emotie waar de traan van in de keel bleef hangen. Maar dan keek-ie. Van ongeveer een meter afstand, van m’n schouders tot aan m’n kruin. Hij moest even overzien wie hij tegenover zich had, als om z’n ogen in te stellen op z’n bril, om daardoor de betere woorden te kunnen vinden. ’t Goede woord. ’t Enige woord. De laatste zin.
‘Ja, maar Ton,’ hoor ik ‘m nog zeggen. ‘Dat is toch wat.’
Er was altijd wel wat. Freerk had veel om over te praten.

Hij vertelde ook dat-ie niet meer zou drinken.
Vera & hij hadden besloten dat-ie er nog wat van moest maken. Dat ze nog moesten genieten van wat-ie nog had.
Hij stond aan de bar. Tegenover me, met z’n hand om ‘t ‘spatje’ dat ik ‘m net had geserveerd. Spa met jus. Spatje.
Hij kon wel blijven drinken. Hij deed dat wel vanaf ’s ochtends vroeg. Maar hij moest ook nog leven. Z’n zoon, z’n vrouw, zij moesten ook nog weten dat-ie bestond.
In een roes dat laatste stuk leven beleven had geen zin, hadden ze besloten.

Hij was een man van woorden. Z’n mond stond niet stil. Als dat wel ’t geval was, dan slurpte hij ze uit je mond. Hij keek de woorden tevoorschijn.

Hoewel, de laatste tijd was-ie wat stil.
Weer een slecht verhaal van de arts te horen gekregen. Over de pijn die zou komen, over een chemokuur ondergaan of niet, over de kwaliteit van ’t leven, over de duur van wat er nog te gaan was.
Z’n wangen bolden van spanning. Er moest iets uit; hij wist alleen niet wat.
Vera voerde ’t woord. & Freerk bezon zich op wat er ging gebeuren. Wat er nog kon gebeuren. Voerde gesprekken met zichzelf. Even kon niemand hem horen praten. Z’n handen gevouwen over elkaar, stil.

Nu is Freerk dood. Wat er op ’t laatst uit z’n mond kwam was alleen maar bloed. Niet mooi voor een man met zo veel woorden. Woorden waar mensen graag naar luisterden.

’t Is wel langer dan een minuut stil in Zijperspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *