gozer

De bel gaat. Er komt iemand binnen.
‘Shit,’ verzucht ik sissend tussen m’n tanden.
Ik kom nergens aan toe. Sta ik met slechts 1 flesje in m’n handen. Daar kan ik de schappen niet mee vullen.
Vlug kijk ik in ’t voorbijgaan van de voorraad of ik in de gauwigheid nog meer kan meepakken. Maar ’t blijft bij 1. Energieverspilling, dit bezoek aan de kelder.
Ik loop de trap op om te kijken wie de winkel is binnengekomen. Ze moeten weten dat ik er ben.

2 Ogen kijken op, verbaasd, verschrikt.
‘De postbode?’ denk ik.
‘Waar kom jij vandaan?’ vraagt de jongen vanachter de kassa.
‘Ik kom uit de kelder,’ antwoord ik, minstens zo verbaasd.
De schrik volgt er al snel op.
‘Werk jij hier?’ vraagt de jongen vervolgens.
‘Ja,’ zeg ik, ‘& jij niet, toch?’
‘Wat was je dan aan ’t doen?’
‘Flessen pakken.’
Ik laat ‘m ’t ene flesje zien. Zet ‘m vervolgens snel neer. Hij moet niet denken dat ’t een wapen is. Een wapen kan zijn.
Ik loop op ‘m toe.
‘Wat is er?’ vraag ik.
‘Ja, ik kwam langs,’ zegt de jongen. ‘Wat is daar in de kelder dan?’
‘Bier,’ zeg ik, routineus.
Toeristen krijgen dezelfde domme antwoorden op dezelfde domme vragen.
Ik kijk wat-ie in z’n handen heeft. Hij houdt ’t een beetje naar voren. Losse foldertjes. ’t Lijkt aan stukken gescheurd. ’t Zijn net flyers. Ik reik m’n hand ernaar. Hij doet ook alsof-ie ’t me aan wil geven. Ik pak er 1tje uit z’n hand. Zie dat ik er niks mee kan.
‘Maar is er iets?’ vraag ik.
Ik sta nu naast ‘m. Ook achter de kassa. Daar heeft-ie meestentijds z’n blik op gericht. Ik kijk nog ‘ns naar ’t stukje papier. Geef ’t terug. Ik kan er immers niets mee.
Hij schudt even z’n hoofd.
‘Nee,’ zegt-ie. ‘Waar kwam jij vandaan?’
‘Uit de kelder,’ antwoord ik nogmaals.
Ik merk opeens dat-ie z’n ene hand in z’n broekzak heeft. Diep weg.
‘Hebben jullie daar de brouwerij?’
Ik ga een stukje van ‘m weg. Dan heeft-ie een langere weg te gaan. Dan roept ’t ook minder agressie op. Dan ben ik veiliger.
Maar eigenlijk ben ik gewoon bang.
‘Nee, we zijn geen brouwerij. We verkopen alleen bier.’
Hij gaat bij de kassa weg. Gaat aan de andere kant van de toonbank staan. Ik durf weer richting kassa te lopen. Terwijl hij beweegt pak ik zo onopvallend mogelijk de telefoon. Stop ‘m in m’n broekzak. Ik prent snel in m’n hoofd hoe ik ’t toetsenbord van slot moet halen. Bedenk meteen dat ik niet weet welk nr ik zou moeten bellen.
‘Ik zou wel een brouwerij van binnen willen zien.’
Hij schuift dieper de winkel in. Dan ga ik maar buiten staan, bedenk ik me. In de deuropening in ieder geval. Ik wil lucht om me heen. Wegen, paden, stoeptegels, ruimte.
‘Wat ga je doen?’ vraagt de jongen.
‘Ik ga buiten staan,’ zeg ik, ‘want ik weet niet wat jij wil doen.’
Hij kijkt me aan. Kijkt vervolgens richting koelkast. Ook richting kelder. Waar ik vandaan ben gekomen. Koelkast weer. Dan naar mij.
Ik ga verder naar buiten. Ik wil hier niet meer zijn. Ik kijk om me heen waar ’t veiliger is. Ik denk aan de hand in z’n broekzak. Kijk naar hem & meteen daarna weer opzij.
Ik zie dat de buren hun deur open hebben staan. Dat hebben ze altijd. Maar nu zie ik ‘t. Ik buk een beetje voorover om te zien wie daar van ’t personeel aanwezig is. Doe 2 stappen opzij & roep.
‘Kan 1 van jullie misschien even komen?’
’t Is luid. Duidelijk. Ik zie alle klanten opkijken. Achterin de zaak staat ’t meisje op vanachter haar bureau. De eigenaar komt vanachter de kassa tevoorschijn. Hij loopt onmiddellijk met me mee. De mensen die achterblijven kijken verschrikt naar me. We laten ze al snel in de steek.
‘Een rare gozer,’ zeg ik.
We gaan samen in de winkel staan. Ik achter de kassa. Hij voor de toonbank. We wachten.
‘8 punt 6,’ zegt de jongen.
Hij wijst daarbij naar de koelkast met blikken bier.
‘Kan ik die meenemen?’ vraagt-ie.
‘Dan moet je betalen,’ zeg ik.
Hij loopt naar de toonbank. De buurman schuift langs ‘m heen richting trap. De trap naar boven. Hij gaat rustig zitten. Zegt niks.
De jongen pakt een visitekaartje weg bij ’t beeldscherm.
‘Kan ik met dit kaartje een biertje krijgen?’ vraagt-ie.
‘Nee, dan zal je met munten moeten betalen.’
Hij stopt ’t kaartje weg. Hij kijkt me nog een keer in de ogen. Ik kijk terug. Kijk daarna naar beneden.
‘Niet in de ogen kijken,’ denk ik. ‘Hoofd naar beneden.’
De jongen verlaat de winkel.
We gaan in de deuropening staan. We zien ‘m naar de overkant gaan. Naar de Albert Heijn. Om de hoek van de Albert Heijn verdwijnt-ie uit zicht.
‘Als-ie terugkomt roep je maar weer,’ zegt de buurman.

Dan weet ik al niet meer of ’t echt gebeurd is in Zijperspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *