kimekaaskimebal

Ik had ‘m vandaag al eerder de zaak binnen zien komen voor een flesje koud bier. Op dat moment was ’t echter niet nodig dat ik ‘m hielp; iemand anders rekende met ‘m af. Ik had wel ’t idee dat-ie ook 1 van de Albert Heijn-hangers was, die de dag volmaken achter ’t Paleis. Net iets té amicaal, net iets té schommelend met z’n lichaam. Daarnaast zag-ie er wat te sjofel uit met z’n hoed, zakdoek om z’n nek & ongeschoren kin.

Ik was bezig met flessen in ’t schap te zetten. Ik kon me er niet mee bemoeien. ’t Enige wat ik kon doen was grijpgrage vingers bij de ijskast in de gaten houden.

Een ½ uur later sta ik alleen in de winkel. Hij komt weer binnen. Hij passeert me om richting ijskast te lopen. Ik sta dichter bij de ijskast ditmaal. Ik kan z’n verschijning daardoor beter observeren.
Hij draagt een slordig jasje; een verslonst groen colbertje, zwabberend om z’n lichaam. Bij binnenkomst ontdoet hij zich van z’n zonnebril. Die verplaatst-ie van z’n ogen naar z’n hoed. Die ziet er ook wat verlept uit; de deuken aan de zijkanten lijken eruit gedrukt; ’t lint is eraf getrokken; de randen zijn verrafeld.
Z’n ogen staan gezwollen. Z’n blik is daardoor sloom, dronken besef ik later. Door de teint van z’n huid concludeer ik dat-ie óf hele dagen buitenstaat óf uit een vreemd buitenland komt.

Hij komt voor me staan om z’n aankoop af te rekenen. Maar 1st vouwt hij z’n handen samen. Hij maakt een lichte buiging voorwaarts met z’n bovenlichaam. & Mompelt iets onverstaanbaars. Een andere taal, vermoed ik, vooral vanwege de manier waarop-ie buigt.
Die buiging kan ook veroorzaakt worden door z’n dronkenschap, besef ik me na z’n eigen introduktie.
‘Sorry, meneer. Ik ben dronken.’
‘Ja, dat dacht ik al te zien.’
‘Vind u ’t erg?’
‘Nee, zolang je gewone dingen blijft doen, niet.’
Hij vouwt weer z’n handen & maakt daarmee wederom een buiging mijn kant op.
‘Mijn vader gaat dood.’
Z’n blik verandert in treurig, met een lichte aggressie er in.
‘Hé, heb ik ’t verkeerd ingeschat?’ denk ik nav z’n blik.
‘Ooooooohooh,’ & nog enkele onverstaanbare woorden (andere taal? denk ik), ‘dat wil ik niet. Ik wil dat niet.’

Ik denk aan m’n eigen vader. Ik wil ook niet dat mijn vader dood gaat. Deze dronken vreemde is daardoor niet zo vreemd meer. Niet meer zomaar een dakloze die voor de Albert Heijn rondhangt.
Hij is een vreemde die geen eigen land meer lijkt te hebben. Hij heeft blijkbaar wel een vader in dat oorspronkelijke eigen land, maar ook die lijkt te verdwijnen. Waardoor-ie z’n land verliest, z’n thuis.

Ik vul ’t allemaal in. Ik weet niet of ’t waar is, maar ’t voelt alsof m’n gedachten ’t bij ’t rechte eind hebben.

‘Sorry, ik ben dronken.’
‘Dat geeft helemaal niet. Als je maar geen gekke dingen doet.’
Hij kijkt me loom treurig aan. Ondertussen reken ik z’n bier af.
‘Alsjeblieft,’ terwijl ik ’t wisselgeld geef, ‘& sterkte.’
Hij doet een stap achteruit, vouwt z’n handen weer samen & knikt kort met z’n hoofd, terwijl-ie me strak aankijkt.
‘Kimekaaskimebal,’ is de overweging die hij mij daarbij meegeeft.

De echo weerklinkt nog in Zijperspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.