Koninginnekruid

Ihkv Natuurgidsencursus IVN Amstelveen

’t Is overdreven om te melden dat m’n hart sneller ging kloppen toen ik ontdekte dat ’t Koninginnekruid een ‘kensoort is voor de klasse van natte strooiselruigten (Convulvio-Filipenduletea)’. Maar ik vond de opdracht deze plant te beschrijven wel opeens veel interessanter worden.Ik had hier natuurlijk kunnen schrijven hoe groot de plant kon worden (geplukt van Wikipedia: 30-170cm; offline bij mij in de tuin geconstateerd: ong tot schouderhoogte), wat voor kleur de bloem aanneemt (rozig tot paars) en dat ’t behoort tot de composietenfamilie. Maar mijn probleem is dat ’t me nooit lukt om langer dan 1 minuut achter elkaar in veldgidsen te kijken of anders zoekkaarten aandachtig te bestuderen. Daar zit geen spanning in, meldt mijn (gebrek aan) vermogen tot concentratie me telkens weer.
Met dat laatste wil ik anderen zo min mogelijk lastig vallen. ’t Lijkt me al vervelend genoeg om in mijn gezelschap te moeten constateren dat m’n aandacht bij ’t determineren niet al te lang duurt.Maar wat triggert dan wel mijn nieuwsgierigheid in de hierboven genoemde ontdekking? Waarom vind ik dat plotseling wél interessant en stimuleert ’t mij om een lang verhaal over ’t Koninginnekruid te schrijven?
Nou heb ik wel eerder ’t woord ‘kensoort’ horen vallen, ben ’t ook wel vaker tegengekomen in m’n speurtocht naar kennis over bepaalde bomen, of specifieker: gagel, maar ’t feit dat in dit geval ‘kensoort’ aanklikbaar was zorgde ervoor dat ik een wereld aan verdere informatie tot m’n beschikking had.
Nee, dat is overdreven, maar wel een boel van dat goedje.
En terwijl ik me als een hommel op een opwindend kleurende bloem me bezondigde aan ’t naar binnen slurpen van al die informatie bedacht ik me bovendien dat ik ‘natte strooiselruigten’ ook een prikkelende uitdrukking vond die m’n nieuwsgierigheid nog meer zou motiveren.

In ieder geval: laat ik me dus maar richten op prachtige wetenswaardigheden ipv dat ik de voor mij saaie info op ga zitten lepelen.

Ik ben begonnen met ’t te voorschijn halen van m’n huidige bijbel (na 3 termijnen gedwongen ’t in te leveren, heb ik ’t de volgende ochtend opnieuw uit de bieb gehaald voor een hopelijk zo lang mogelijke vervolgperiode): ’t Botanisch Woordenboek.

kensoort Soort die kenmerkend is voor een plantengemeenschap (associatie, verbond enz.), doordat hij vrijwel uitsluitend daarin voorkomt.

Laten we ’t woord ‘klasse’ er ook maar meteen bij nemen. Die staat er tenslotte slechts 2 lemma’s onder.

klasse Eenheid in de vegetatiekunde. Groep van overeenkomstige orden. Hoogste eenheid in in het systeem van plantengemeenschappen.

’t Koninginnekruid is niet de enige kensoort van de klasse van Convulvulo-Filipenduletea. Er zijn nog enkele planten die zich hier lekker in voelen. Ten 1e de naamgevers van de wetenschappelijke naam ervan, Haagwinde (Convulvus sepium) en Moerasspirea (Filipendula ulmaria).

In Nederland worden syntaxoncodes gebruikt. Dit zijn nrs in combinatie met hoofd- en kleine letters om aan te geven tot wat voor (sub-) associatie, verbond, orde of klasse bepaalde vegetatie behoort. De klasse van natte strooiselruigten heeft de code 32 gekregen. Daar hebben wij nu niks aan, behalve dan dat ’t in sommige gevallen met deze kennis gemakkelijk zoeken is naar kenmerken van deze klasse.
Om nog even door te gaan met codes waar ik voor de rest voorlopig niets mee kan: Natura 2000 geeft de klasse ’t nr 6430, wat staat voor ‘ Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones’.

Maar wat is een ruigte dan volgens de mensen die al deze classificaties hebben verzonnen?
Tijdens de eerste bijeenkomst van de plantenwerkgroep liepen we door de bermen langs de Beneluxbaan, ter hoogte van de metrohalte Ouderkerkerlaan. Daar troffen we Koninginnekruid, maar ook andere kensoorten van dezelfde klasse als Moerasspirea (sterk in aantal verminderd volgens Henk Glas, maar voorheen in grote getale aanwezig) Haagwinde, Gewone smeerwortel (Symphytum officinale) en voor de klasse ‘differentiërende’ soort Grote brandnetel (Urtica dioica). Op sommige plekken was de grond inderdaad behoorlijk nat.
Wikipedia over de bewuste ruigtes:

(…) kruidachtige vegetaties met veel biomassaproductie  waarin door gebrek aan beheer het strooisel zich jaar na jaar ophoopt. Een beperkt aantal soorten, vooral forse kruiden, zijn dominant.
Naast de reeds genoemde soorten kunnen derhalve ook Harig wilgenroosje (Epilobium hirsutum), Moerasmelkdistel (Sonchus palustris), Grote kattenstaart (Lythrum salicaria) en Moerasandoorn (Stachys palustris). Ik kan me niet herinneren die tijdens de plantenwerkgroepwandeling te zijn tegen gekomen.

Overigens vermeldt Wikipedia ook dat ruigtes meestal ontstaan uit halfnatuurlijk graslanden waar beheer of begrazing is weggevallen. Natte strooiselruigte kenmerkt zich door afwezigheid van bomen. Aanvankelijk bevinden er zich kleinere kruiden, die geleidelijk aan vervangen worden door grotere, waarbij in voedselrijke omstandigheden sprake is van dominantie van slechts enkele soorten. Die kensoorten dus, waar ik ’t daarnet over had.

Daar voelt Koninginnekruid zich op z’n gemak, daar in de berm van de Beneluxbaan. En bij mij in de tuin.
Ik ben op beide plekken door m’n knieën gegaan om een ander aspect van ’t Koninginnekruid te onderzoeken. Want ik lees heus ook wel andere boeken over de natuur dan woordenboeken.

’t Gallenboek.
W.M. Docters van Leeuwen is er aan begonnen. Hans C. Roskam heeft zijn werk voortgezet.
Ik kan ’t initiatief niet genoeg bejubelen. Er blijken allemaal verborgen boodschappen te leven in bomen en planten. Boodschappen die zich later laten vertalen in uiteindelijk groot gegroeide galmijten, galmuggen, galwespen en alle andere wezens die zich door de mens met ’t prefix ‘gal’ hebben laten betitelen. En nog een aantal meer.
En alles wat verborgen is moet ontdekt worden, zo hebben de spannende jongensboeken ons in onze jeugd voorgeschreven. Dus probeer ik de geheimtaal van die stiekeme profiteurs te leren lezen. Ook bij ’t Koninginnekruid.
Ik moet en zal de verdikkingen op de knopen van de stengels en de zijstengels van ’t kruid vinden. De gaatjes die zich er in bevinden ook, als vingerwijzing dat er geboord is door de Koninginnekruidvedermot (Adaina microdactyla) om haar ei te in de stengel te kunnen leggen. Of de opgerolde bladeren en gekroesde bladeren (moet nog even ergens opzoeken hoe gekroesde bladeren er uitzien, maar heb ’t eigenlijk te druk met zoeken en me op m’n knieën voortbewegen van plant naar plant) die veroorzaakt zijn door de Groene kortstaartluis (Brachycaudus helichrysi). En ik zoek me ’t apenzuur om kleinere bladeren te vinden die aan ’t eind van de takken opeengehoopt zijn, waarbij de bladeren ten dele naar boven toe opgerold zijn, de bloemhoofdjes klein blijven en alle aangetaste organen met witte haren bedekt zijn, veroorzaakt door div soorten galmijten (Eriphydiae sp.).

Maar vindt niets.
Er valt vast nog heel veel spannends te ontdekken. Maar ik zal 1st knielappen op m’n broeken aan moeten laten naaien.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *