Verlatingsdagboek II

Op een dag verlies je alles. Je had gedacht al behoorlijk wat kwijt te zijn, maar er kon nog meer met je gebeuren om je te doen beseffen dat je veel had, héél veel had, dat nog weg kon raken.

Ik had broers, daar begon ’t mee. Plots was er 1 weg.
Daarvoor had ik al een vader. Men snapt waarschijnlijk wel wat daar mee gebeurd is.
Een moeder. Die kwam later. Of zo men wil: die ging later.
Alles vindt plaats zoals ’t eigenlijk niet had moeten gebeuren. Weg is weg waar gaten niet gevuld kunnen worden. In mijn leven in ieder geval niet. Daar heb ik een handicap. Een grote. Van gaten die holen worden van onnoembare proportie tot waar ’t toe verhoudt.

Ik probeer ’t te behappen. Dat ik snap wat me overkomen is. Ik heb er een tijd geen aandacht aan willen besteden. Zeg maar angst, zeg ook maar: overzicht. Maar als er minder & minder dingen zijn die blijven begint een mens te beseffen dat ’t inderdaad tijdelijk was.

Ik zei vanmiddag: ‘Maar gelukkig was ik onsterfelijk.’
Toen reageerden de toehoorders, de mensen dus waar ik een normaal gesprek mee had, zoals ik vaker had moeten doen, maar afliet want ik had immers ‘iemand anders’ om me normaal te laten voelen; die toehoorders dus beginnen met titels te noemen van films die ik nooit gezien had, maar waarvan ik wel wist dat ’t voor ieder ander gemeengoed was.
Ooit. Ik nooit.
Veel films blijken over onsterfelijkheid te gaan. Boeken ook. Vooral boeken.
Daarom. Interpunctie.

Ik probeer de betrekkelijkheid te hervinden. Een nieuwe definitie voor mijn bestaan. Blijkbaar heb ik die leeftijd.
Maar ’t tegenstrijdige is dat ik de dood heb weggedrukt, ook die van hen die zijn heengegaan, maar tegelijkertijd ’t verlies van anderen (die nog leven) niet. Momenteel.
Ik raak in shock om wie er niet meer om me heen is & wil tegelijkertijd, juist daardoor waarschijnlijk, alleen maar aan m’n moeder denken. & Aan die stomme vriendin van 30 jaar geleden.
Ze hebben overigens niets met elkaar te maken. Ze kenden elkaar toen. Maar de 1 was beter dan de ander. Men raadt vast naar wie mijn voorkeur uitging. Nou ja, uiteindelijk.

Ik ben onsterfelijk. Ik word wel ouder, ik merk ’t ook, maar niemand heeft me nog bewezen dat ik per se niet een andere weg kan kiezen.
Nooit afscheid nemen. Dat wil ik.
& Niemand die dat van me af gaat nemen.
Behalve zij die weg zijn.
Waar ik ‘is’ moet zeggen.

Zijperspace 4 ffr.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *