lente

Ik graaf een kuil, dacht ik op een gegeven moment.
Daar had ik 1st meermaals dromerig m’n tuin voor in moeten kijken.
De buren zullen wel door de kieren van hun gordijnen naar me hebben gekeken & tegen elkaar hebben gezegd: ‘De buurman staat weer voor zich uit te staren in de tuin.’
Misschien zagen ze me ook wel achter m’n computer zitten, m’n hoofd naar rechts gewend, vingers weliswaar aan ’t toetsenbord, maar m’n blik op de tuin gericht. Of staand voor ’t raam, ogenschijnlijk de vogeltjes & hun geluiden tracerend. Ik weet niet wat de buren zien. Hun gordijnen lijken aan de achterkant van hun huis gesloten voor wat er buiten de deur gebeurt.

Ik was ondertussen aan ’t overwegen waar ik een kuil kon graven. Ik probeerde te bedenken welke plantjes er vorig jaar op de verschillende plekken groeiden. Ik kon van de gelegenheid gebruik maken door ’t juist daar te doen waar vorig jaar bepaald groen woekerde.
& Terwijl ik de tuin inkeek, zag ik de mussen kleine stokjes verzamelen. Hun snavel vol schoten ze rakelings langs de muur van de flat omhoog, om zich richting nest naast de regenpijp te begeven. Spreeuwen kwamen langs om ’t grotere tuinafval te verzamelen. Ik zag zelfs, door de opgehangen pas gewassen was heen, een ekster pogingen doen nestmateriaal te verzamelen. Enkele malen heb ik merels moeten verjagen die bezig waren m’n plantenbakken leeg te roven van stevige kleiige aarde. Vorig jaar hadden ze van enkele potten slechts de kluiten van de plantjes overgelaten.

Ik ben achter de tulp begonnen die net ontloken was, tussen 2 activiteiten in. Een verloren kwartiertje, dacht ik. Maar na enkele scheppen wist ik dat ’t wel wat langer zou duren. Ik voelde m’n rug al na de 5 keer diep insteken.
Zorgvuldig probeerde ik de aanraking met ’t bosje tulpen te vermijden, ook al vond ik ’t niet echt passen in mijn tuin. Maar wat spontaan komt mag blijven zolang ’t niet de boventoon dreigt te gaan voeren. Ik plaatste m’n voeten op een afstand van 10 cm, zwaaide de schop met een wijde boog eromheen. Behalve ’t longkruid & de dovenetel was de tulp ’t enige dat reeds bloeiend was.
Hier woekerde de winde, schoot me te binnen van vorig jaar, hier vluchtte de muis naartoe, hier deed de pad de bladeren bewegen, terwijl er gestaag een gat ontstond.

Toen ’t diep & breed genoeg was, mijn zelf gegraven gat, ben ik ’t tuinafval dat ik 2 weken ervoor verzameld had er in gaan storten. ’t Tuinafval dat bestond uit resten van vorig jaar. Te lange takken heb ik dubbel gevouwen, geknakt, verkleind. Kluiten aarde eroverheen, bladeren, & kleinere takjes, de mus zou er tevreden mee zijn geweest. Ik stampte ’t met m’n voeten plat, dieper weg, & gooide vervolgens de eerder verwijderde aarde eroverheen. Een kale heuvel ontstond.

Er is niet veel veranderd. M’n tuin is nog steeds m’n tuin, waar sommige planten reeds druk bezig zijn hun aanwezigheid kenbaar te maken. Er is nu alleen een kaal bergje bijgekomen. Een heuveltje dat de komende tijd licht zal slinken. Voor de rest kijk ik nog steeds over m’n schouder naar rechts, om te kijken of er nog wat gebeurt.
Al die gebeurtenissen zullen zo langzaam plaatsvinden dat ik de verandering niet onmiddellijk zal waarnemen. Maar ik zal naar buiten blijven kijken.

Me afvragend waar ’t naartoe gaat met Zijperspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.