leuks

‘Waar ben je nu?’ stelt Roswitha de vraag die tegenwoordig ’t meest door de telefoon klinkt.
Vanzelfsprekend; ik zou zelf ook niet geweten hebben waar ik me bevond als ik er zelf niet bij was. Continu de gids ter hand nemend om te kijken hoe de volgende bocht in ’t pad mij in een andere positie tov de rest van de wereld zou bewegen.
‘Ik ben nu bij Muiden,’ antwoord ik.
M’n telefoonblik, die toch licht voorovergebogen richting grond gericht is, laat ik even rusten, om me te kunnen concentreren op de omgeving. Een simpele omschrijving als ’t noemen van de naam van de stad is niet voldoende; daar hoort een plaatje bij.
‘Tegenover me, aan de andere kant van ’t water waar ik loop, ligt ’t Muiderslot.’
& Ik denk aan Sinterklaas. Toon mij dit gebouw & ik keer onverwijld in gedachten naar de Goedheiligman. Ik moet daar eens met m’n ouders gestaan hebben, in ’t pakjesavondjaargetij. M’n vader had gezegd dat Sint in ’t slot verbleef, dat-ie daar de brieven van de kinderen beantwoordde. & Op m’n vraag of we dan niet even naar binnen mochten, zei Pa dat de goede man ’t waarschijnlijk te druk had. Hij moest nog zoveel brieven schrijven, & gedichten, & opdrachten geven aan z’n pieten, & ’t paard eten geven.
‘Je kunt beter een wortel geven, vanavond, in je schoen.’
Dus bleven we staan, zittend in de auto, met uitzicht op ’t Muiderslot, waar Sint verbleef.
‘Da’s best mooi,’ voeg ik toe.
Roswitha gelooft dat wel. Ik weet niet of zij weet dat dit elk jaar 3 weken lang ’t kasteel van Sinterklaas is & ik vertel ’t haar ook maar niet. Misschien was dat alleen bij ons zo, sliep-ie in andere families ergens anders.
‘’t Schijnt dat je kaartjes voor CocoRosie alleen maar bij de zaal kan kopen,’ vertelt Roswitha me.
We hebben ’t al 3 telefoontjes lang over CocoRosie. Ze vraagt me 1st waar ik ben & vervolgens hebben we ’t over ’t ingelaste concert. Wanneer ik die kaartjes ga kopen, of ik die kaartjes al heb gekocht, dat ’t nog maar net bekend is, want Pasen zat ertussen, hoe duur de kaartjes zijn, dat we misschien andermans abonnement kunnen gebruiken. Er valt veel te bespreken.
Bovendien had ik gevraagd: ‘Bel je me ook nog onderweg? Dat vind ik leuk.’
‘Maar ik ga evengoed wel bij Get Records langs,’ besluit ik evenzogoed. ‘Dan vraag ik daar voor de zekerheid of ze echt geen kaartjes hebben. Je kan nooit weten. Misschien kunnen zij meer vertellen.’
Ik wandel ondertussen verder. M’n hoofd hangt weer wat meer voorover. Ik moet tenslotte ook op de weg letten, de kuilen, de plassen.
‘Meneertje,’ zegt Roswitha aan de andere kant, ‘vertel nog ‘ns wat leuks.’
& Terwijl m’n brein koortsachtig op zoek gaat, om vooral aan ’t verzoek te kunnen voldoen, klinkt vanuit m’n mond bij voorbaat ’t verontschuldigende: ‘Ik weet niets leuks.’
De speurtocht in m’n hoofd gaat echter onverminderd voort. Ik stel alles in ’t werk om op iets te komen dat haar dag op werk kan opfleuren. Al is ’t maar een korte anekdote.
‘Nou ja,’ schiet me te binnen, ‘ik kwam wel een saxofonist tegen.’
Ik haal me de man weer voor de geest. De achterkant van de man. ’t Schellende geluid dat uit z’n auto klonk. Jazz uit de jaren 50. De solo’s die de muziek begeleidden. Alleen maar solo’s, die net iets harder klonken dan wat uit de auto tevoorschijn kwam. & De rug van de man, niets anders dan de rug van de man, met z’n lichaam naar de autodeuren toe gewend. Z’n brede schouders konden z’n saxofoon net niet helemaal verstoppen voor de toevallige passant.
‘Voorbij Naarden, vlak voor Muiderberg,’ vertel ik, ‘totaal verlaten op een parkeerplek langs de snelweg.’
Ik dacht nog: ‘Dat is Hans Dulfer,’ maar kon niet op z’n naam komen. Denk je dat dan ook werkelijk, dacht ik erbij, als je de man z’n naam niet meer weet?
‘Wat deed je toen?’ vraagt Roswitha.
‘Ik ben blijven staan. Heb een boterham gepakt & opgegeten & ben een tijdje blijven luisteren. Hij had niet door dat ik er stond.’
‘Waar stond je dan?’
‘Op 50 meter afstand. Maar ’t was heel goed te horen.’
Op een gegeven moment ben ik doorgelopen. De boterham was op. Je kan niet zinloos blijven staan als je aan ’t wandelen bent.
‘Oh, mevrouwtje,’ zeg ik plots, ‘er ligt hier een hele grote vis.’
Ik kijk snel om me heen waar ik ben. Weer de plaats bepalen.
‘Aan de andere kant van ’t water waar ik loop ligt nog steeds ’t Muiderslot, maar hier langs de kant van ’t water ligt een hele grote vis. Wel een ½e meter lang.’
Ik schat ’t nog een keertje in. Ik mag niet overdrijven. Waarschijnlijk is ’t beest nog wat langer, maar ’t verhaal moet wel naar waarheid zijn. & De waarheid is eerder naar beneden overdreven dan naar boven.
‘Da’s best groot,’ reageert Roswitha.
‘’t Lijkt alsof-ie nog beweegt,’ zeg ik in spanning over m’n vondst. ‘Of nee, dat is de wind.’
De rietstengel onder de bek wappert door de wind de lippen omhoog. Hoe zou ’t ook nog kunnen bewegen als ’t beest een grote hap uit z’n nek mist?
‘Ik maak wel wat mee, hè?’
Allemaal saxofonisten & grote vissen, die ik dan weer aan m’n vriendin vertel.

Zijperspace is geheel gevuld met avontuur.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *