lusjes

Een groene legerbroek, die allang al geen legerbroek meer is, omdat-ie wordt ontworpen om er uit te zien als legerbroek. Lange zakken, minstens 6. Touwtjes, knopen, lussen, aantrekkoordjes.
Je koopt zulke broeken bij de Dumpstore. De Dump, zoals ik me weet te herinneren dat we ’t vroeger afkorten. Of misschien heette ’t alleen maar in Den Helder de Dump.
Zouden ze ’t zo genoemd hebben omdat je gepaste kleren onopgevouwen terug moet leggen op een bepaalde plek?
De verkoper zei tegen mij: ‘Leg die maar op de dumpplek.’
De broek die ik niet wilde hebben. Op de dumpplek. Want ik had opgemerkt dat zij vast goed waren om kleren weer in de juiste vorm terug te hangen. De dumpplek was een stapel rekjes, waar onnoembare plastic zakken met inhoud lagen. Ik kon er niets in herkennen. Geen handel, geen verlangen evenmin zoiets te willen bezitten. Ideaal voor een dumpplek, maar niet makkelijk als dusdanig te herkennen.
Behalve dat ’t in de buurt van de toonbank stond. Dat weer wel. Dat als je wil afrekenen, je spulletjes op je arm, je automatisch op zoek gaat naar een plek waar je de overbodigheden kwijt kan. Dumpen. Weer dat woord.

Ik wist de Dump nooit te vinden. Had daar ook moeite mee met die in Amsterdam, toen ik ’t advies had gekregen daar ‘ns voor een nieuwe broek te gaan kijken. Ben er 3 keer voorbij gereden. Dumpstores hebben camouflagekleuren aangenomen, zoals de kleren die ze verkopen, om te beantwoorden aan hun eigen aanbod.
Maar er uiteindelijk binnenkomend, bleken ze slechts een enkele groene broek te verkopen. Dat was in ’t begin van ’t seizoen. Vlak voor vakantie. Dus kocht ik een grijze. Zodat ik niet te ontwaren zou zijn tegen de verte van de grijze lucht, die de zomer tot op dat moment bepaalde, dacht ik er maar bij.
De 2e keer een groene. Zomerdun, waar zwetende benen in bleven plakken, maar de wind welig door kierde.

‘De vorige keer heb ik deze broek hier gekocht,’ wees ik naar m’n grijze aan m’n benen. ‘Heb je nog zoiets? Maar dan liefst groen.’
De man was in een ijverige stemming. Ging uit zichzelf voor me zoeken, daar waar ik ook wel ‘ns voor ’t broekenrek gezet ben & men wachtte tot ik de winkel weer zou verlaten.
‘Wat voor maat heb je?’ vroeg-ie.
‘Dat weet ik dus nooit,’ antwoordde ik. ‘Dat vergeet ik elke keer.’
Telefoonnrs weet ik me wel te herinneren, maar de maten van m’n kledingstukken raak ik gemakkelijk kwijt. Goed, dat ik schoenen van maat 42-43 heb, dat weet ik nog wel; & dat t-shirts mij ’t best passen in ’t maatje large, maar de onderbroekenkwestie voor de schappen van de Hema baart mij elke keer toch zorgen. Welke moeder onder ’t werkend personeel weet ik te herkennen om hierover raad te vragen? & Bij ’t telkens opnieuw aanschaffen van broeken in ’t steeds ‘tzelfde winkeltje op de Albert Cuyp liet ik dochterlief aan de achterkant van de broek frummelen om ’t labeltje van de maat tevoorschijn te kunnen peuteren.
Ik bedacht me er maar bij dat ik niet lenig genoeg was om dat bij mezelf te kunnen doen. Lichaam draaien, nek meekrommen, schuin achterover buigen & ogen uit de kassen staren op zoek naar ’t achterwaarts tevoorschijn gepulkte labeltje.

Hij gaf me 2 broeken mee.
‘Pas die maar,’ zei hij erbij. ‘Als je een andere maat nodig hebt, dan hoor ik ’t wel.’
Ik gaf even later een gil, vroeg om iets kleiner, & hij reageerde dat-ie alleen nog maar groter had.
Maar de spiegel stond goed. Die mocht er zijn, dacht ik. Even overbodige touwtjes verwijderen & ik was ’t heertje. Hoewel je dat niet zou zeggen, in zo’n broek waar vroeger soldaten in hadden gezeten. Of die in ieder geval de schijn moest ophouden dat dat soort mantuig er in gehuisd had.

Thuis nog even gekeken of m’n eigen spiegel ook zo goed stond. Even wat meer ruimte ook om te paraderen. Stoer kijken, zonder dat iemand over je schouder mee kan kijken.
De wijdbeenstand uitgeprobeerd. Waarin je laat blijken dat je best wel een goedje hebt bungelen in dat laaghangend hobbegezak in ’t midden. De wijdbeenstand: vol uitzicht op ’t kruis. Kijken of alles er nog wel is.
Toen zag ik opeens 2 lusjes. 2 Volledig overbodige lusjes. Als hangzakken in ’t midden onderaan. Dat wat van binnen zat, werd daardoor aan de buitenkant gesymboliseerd. Misschien om je broek op te hangen aan een knaapje, na een lange dag arbeid, of een regenachtige dag, zodat ’t snel zou drogen, maar buiten militaire diensttijd kon ik me alleen maar vrouwen voorstellen die me in m’n gezicht zouden uitlachen, wijzend naar een kleine meter lager.

Ik heb een schaar gepakt, na een dag binnenskamers op proef gelopen te hebben met m’n nieuwe aanschaf, diverse malen m’n spiegel daarbij raadplegend, & ben gaan snoeien. M’n kruis moest korter. & Hangend in de hangstoel, met goed uitzicht op daar waar de operatie moest gaan plaatsvinden, ben ik aan de gang gegaan.
Achteraf bedacht ik dat ik de broek ook uit had kunnen trekken om ‘tzelfde resultaat te behalen, maar dat had vast niet ‘tzelfde bevredigende gevoel van zelfzorgzaamheid gegeven.

We durven ons weer te tonen, ook met dat wat onder de gordel zit in Zijperspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.