maximaliseren

Ik heb de thee nog maar niet ingeschonken. Hoewel ik dat beter wel kan doen. Dan kan ’t tenminste afkoelen. Ik voel nl niet hoe heet de thee is, vermoed ik. Of ik zou via m’n rechteronderlip, dan wel m’n linkerbovenlip moeten drinken. De andere 2 kwarten zijn verdoofd.
‘Wil je een verdoving?’ vroeg ze.
Ik was verbaasd de vraag te horen. Die was me sinds de introductie van de verdoving nog nooit gesteld. Ik hoor wel ‘ns van mensen die zich nooit laten verdoven (‘Ik vind ’t onzin; ’t is toch zo voorbij & ’t kost alleen maar extra geld’), maar dat zijn vast mensen met een hogere pijngrens. Die van mij is laag. Dat wil ik graag zo houden.
Eigenlijk zou er ook nog een verdoving voor je gedachten bij moeten komen, want die maken bij mij rare kronkels. Wat me ’t meest dwars zit, achterhellend in de tandartsstoel, is de ongerustheid of mijn tandarts niet met haar borsten tegen m’n voorhoofd aanleunt. Dat mag ik niet voelen, maar ondertussen probeer ik, terwijl ze noeste pogingen doet achterin m’n gebit een oude vulling te verwijderen, te lokaliseren waar haar smetteloos witte pakje overgaat in overhangende borsten. Alsof mijn voorhoofd voorbestemd is tot ’t aftasten van de wereld om zich heen. Nee, mijn voorhoofd is in deze hooguit bestemd om te voelen hoeveel zweet er vanaf druipt & hoe dat, naarmate die gestage stroom blijft doorgaan, gaat jeuken.
Ik heb ’t haar ook gezegd: ‘Ja, ik zweet natuurlijk nogal.’
‘Oh, daar heb ik geen last van hoor.’
‘Ja, maar dat kan op den duur voor mij gaan jeuken. Daarom lijkt ’t me beter dat ik dit doekje bij me houd.’
Heerlijk rustgevend was dat. Ik heb ’t niet meer gebruikt, maar ik had tenminste iets om handen. Hoefde ik niet aan de borsten te denken & hoe die te vermijden terwijl ik geparalyseerd in de stoel hing.
Ik bedacht op een gegeven moment dat ik me misschien beter bezig kon houden met allerlei onbelangrijke dingen. Zoals hoe ik m’n thee straks zou gaan drinken. Of daar wel mogelijkheid toe was. Zou er een mogelijkheid bestaan om door te slikken, om m’n tong z’n werk te laten doen, zodat de vloeistof naar achter in m’n mondholte gestuwd kon worden? Zou ik m’n mond niet branden?
Goed, met dat experiment ben ik inmiddels bezig. Maar dat heb ik daarnet allemaal uitgedacht. Om vooral geen rare, ontoelaatbare gedachtes te hebben tijdens de behandeling zelf.
Ik vroeg me evengoed ook af of dit soort kwesties ook tijdens de tandartsopleiding werden besproken.
‘Ja,’ zal de docent hebben gezegd, ‘je zal op een gegeven moment toch kracht moeten zetten, of op een plek moeten wroeten waarbij je je lichaam in een andere hoek moeten wringen dan je zelf misschien wenst.’
& Meisjes die dat niet durfden, die hebben de opleiding niet afgemaakt.
Gelukkig bleef ik er niet al te lang in hangen. Al gauw maakte ik me meer ongerust over de mate waarin mijn lippen mishandeld werden. Dat schijnen tandartsen ook altijd even te moeten doen: even alle loshangende schilvers dermate behandelen dat je toch al droge lippen, waar in dit seizoen geen blistex tegenop kan, dat ze na ’t bezoek geheel & al aan flarden hangen. Daar voel je de 1e paar uren niks van, de verdoving zit er nog, dus als je uiteindelijk weer geheel bij positieven bent, zou ’t net zo goed kunnen zijn dat je geheel pijnloos op je eigen lippen hebt lopen kauwen.
Op een gegeven moment mocht ik rechter op gaan zitten. De stoel kwam omhoog. Ik dacht even dat ik pauze kreeg. Maar ’t bleek helaas dat de behandeling van de linkeronderkant makkelijker zou verlopen als ik in die houding gemanoeuvreerd werd.
‘Is er iets?’ vroeg ze nonchalant.
‘Ja, m’n neus zit een beetje vol,’ zei ik.
‘Ah,’ reageerde ze, ‘’t is natuurlijk allemaal naar beneden gekropen. Maar nu kom je in een makkelijker houding.’
Via de achterkant van m’n neus haalde ik de snot even op. Onhoorbaar, maar toch met ’t gevoel dat ik betrapt kon worden, straks zou ze, turend in m’n mond voor de volgende klus, kunnen zien hoe ik van die overtollige hoeveelheid snot was afgekomen.
Ik ben zo opgevoed dat ik vooral niet m’n neus mocht ophalen. In ieder geval niet hoorbaar. Of je mocht er niet op betrapt worden. Zoiets. Dat was vies.
Maar ze liet niks merken.
Momenteel heb ik overigens jeuk aan m’n neus. Natuurlijk m’n rechterneusgat, waar de verdoving welig tiert. Was ’t m’n linkerneusgat geweest, ik had ‘m geheel leeg kunnen halen. Nu voel ik gewoon niet wat er aan de hand is. Ik snap zowiezo niet hoe ’t kan dat ik daar jeuk heb, op ’t moment dat ik daar voor de rest niets voel.
Ik ben blij dat ik vanochtend boodschappen heb gedaan. Waarschijnlijk had ik de lopende band, of anders ’t pinautomaatje, onder gekwijld & daar heel zielig bij gekeken. Ondertussen me zogenaamd nergens van bewust.

’t Is vreemd om dingen die je niet voelt toch extra goed te voelen in Zijperspace.
(Dit stuk lijflog heb ik speciaal opgesteld om weer eens de aandacht te vestigen op de cursus lijfloggen, waarvan ‘t 4e deel “Maximaliseer!” zojuist gepubliceerd is bij de geheel vernieuwde about:blank, waarbij er zelfs een mogelijkheid tot reageren is gecreëerd; wat reeds heeft geresulteerd in maar liefst 2 reacties; oorverdovend voor mijn doen)

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *