mezen

Hun gekwetter klinkt door ’t raam heen, als ik in de keuken sta te wachten op ’t water dat moet gaan koken. Met m’n hoofd nog vol slaap wend ik m’n lichaam naar de bomen waar ze zich vermoedelijk bevinden. Alsof er een geest van enkele 10-tallen lichaampjes daar rondwaart. Af & toe een schaduw die voorbij flitst.
Als je er 1 gesignaleerd hebt, dan volgt de rest vanzelf, heb ik inmiddels gemerkt. Dan lijk je oog voor hun bewegingen te krijgen. Je moet hun activiteit 1st lokaliseren & dan wordt ’t al snel een wirwar van heen & weer schietende silhouetjes. Pas dan wordt ’t een voorstelling. Langzaamaan ga je in de verte ook onderscheiden om wat voor vogels ’t gaat, door een glimp van de zon, een vlucht van 1tje de bosschage uit, of soms zelfs een verlegging van ’t project waarmee ze bezig zijn. Dan blijkt opeens mijn tuin de ‘place to be’ & wordt deze voor enkele minuten bevolkt door af & aan vliegende mezen.
Ze hebben geen rust in de kont, dus moet ik geconcentreerd blijven kijken. Een korte tel van onachtzaamheid & ik heb ’t beeld niet kunnen opslaan. Want dat is ‘t grootste manco aan ’t tafereel: ’t is tijdelijk. Een zeer korte tijdelijkheid zelfs. ’t Laat zich bijna niet pakken, niet in z’n volledigheid registreren; voor je ’t weet is ’t tafereel alweer voorbij.
Ze schuiven hun snavel kort langs de takken, vaak langs ’t kruis, waar de ene tak overgaat in de andere, pikken kort, schijnbaar ongeïnteresseerd, maar blijkbaar op hun qui-vive voor alles dat achter hun, om hen heen kan gebeuren. De mens vertrouwen ze zowiezo al niet. Slechts als ik me traag beweeg ben ik voor hun een standbeeld waarvoor ze niets te duchten hebben. Wil ik m’n bril pakken om alles beter te kunnen aanschouwen, dan ben ik al te laat, dan slaat hun zorgeloosheid om in argwaan & verdwijnt de hele troep uit mijn tuin. Dan had ik maar geduldiger moeten genieten.
’t Is een troep. Een georganiseerde inval. Vooral in ’t geval van de koolmees. Vroeger dacht ik dat ze in paartjes opereerden, maar ’t lijkt me ondertussen dat ze als bende een tuin binnen komen stormen, schijnbaar chaotisch, maar bij betere beschouwing in zekere mate systematisch, alle takken & bladeren afstruinen op zoek naar onzichtbaar voer. Voor mij onzichtbaar. Vaak zie ik niet meer dan hun zenuwachtig heen & weer springen van tak op tak, van de ene kant van m’n tuin naar de andere kant, om steeds eventjes hun snavel schoon te maken door met de zijkant langs de tak te wrijven. Ik mis iets, maar juist daar geniet ik van. Ik blijf vragen stellen. Had ik een antwoord, dan hoefde ik niet meer te kijken.
De pimpelmees is een volger. Te lui & te klein om zelf te ontdekken waar ’t voedsel zich bevindt. ’t Komt zelden voor dat de pimpelmees zich blootgeeft als de koolmees nergens te bekennen is. Maar tegelijkertijd is-ie ook wat dommig. ’t Komt iets te dichtbij. Laatst hoefde ik me slechts voorover te bukken, ’t was dat er nog een keukenraam tussen zat, & ik had een exemplaar in m’n handen gehad. & Terwijl ik m’n hoofd bewoog om ’t nog iets beter te kunnen bestuderen, keek ’t me slechts naïef aan, van: wat heb ik met jou te maken?
Hij hupt ook wat meer, de pimpelmees, terwijl de koolmees een gladde vlucht heeft, van tak tot tak. De pimpelmees lijkt al vermoeid als-ie er maar aan denkt voedsel te moeten verzamelen.
& Dan hadden we gister de matkopmees. De zwaluw onder de mezen, zo leek ‘t. Ik moest snel zijn, anders was-ie volledig aan me voorbij gegaan. ’t Waren er een paar, maar elke keer als ik dacht de gelegenheid te hebben te kijken hoe hun verenkleed er uitzag, dan was ik alweer te laat. Dan liet de vogel zich los van de tak & met een snelle hoek schoot ’t door ’t gaas dat dienst doet als afscheiding van de tuin van de buurvrouw. De koolmees neemt vaak 1st een korte pauze daar, maar dat leek de matkop niet nodig te vinden.
Dan ben ik een verzamelaar. Een verzamelaar van stilstaande beelden. Zo zorgvuldig mogelijk probeer ik ’t op te slaan, elk detail dat ik heb kunnen registreren. Dit moment moet ik koesteren, dit komt niet snel weer, denk ik dan, & tegelijkertijd weet ik dat ’t zo verloren gaat in de onoverzichtelijkheid van m’n geheugen.
& Zeker een dag lang blijf ik verlangend, ipv ’t normale in gedachten verzonken, kijken naar buiten, vervloek de pas gewassen was die m’n zicht belemmerd als ik een schicht voorbij zie gaan, heb spijt m’n bril niet altijd op m’n gok te hebben staan & vermoed dat de vogels, vooral de matkopclub, pas weer komen als ik ze de rug toekeer.

‘t Water heeft gekookt, de thee getrokken, ik ga zitten op een stoel om met een boterham de ochtend in Zijperspace te genieten.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *